Van een titel waar het symbool "♬" bijstaat is een opname beschikbaar. Klik op het symbool om naar de pagina met audiovoorbeelden te gaan.

 




1. Quintett für 12 Bläser

Voor piccolo, fluit, hobo, engelse hoorn, klarinet, basklarinet, fagot, contrafagot en 4 hoorns. Tijdsduur 09'. Voltooid: 22/01/1977 (Revisie: oktober 1980).

Delen:
  1. Lebhaft; Vorspiel, Rezitativ I, Arie, Rezitav II, Nachspiel
  2. Fliessend; canonische Variationen (I-VI) über eine chrom. Quarte; attacca
  3. Frei, Mässig bewegt etc; Coda.

Eerste uitvoering: Kerkrade, 12/06/1980, Maasland Ensemble o.l.v. Jean Lambrechts.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De titel is gebaseerd op de overeenkomst in klankkleur van de instrumenten die een verdeling in vijf groepjes toestaat: 1: piccolo/fluit, 2: hobo/althobo, 3: klarinet/basklarinet, 4: fagot/contrafagot, 5: vier hoorns.

Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.






2. Quartett für 2 Violinen, Bratsche und Violoncello

Voor strijkkwartet. Tijdsduur 14'. Voltooid: maart 1977 (Revisie: 1980).

Werkbespreking:

Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.

Het kwartet is in uitvoering eendelig maar samengesteld uit twee grote delen die worden voorzien van voorspel/tussenspel/naspel. Opvallend aan de delen is de strenge overeenkomst in aantallen maten, die in deel I echter wel afwisselend worden onderverdeeld. Deze overeenkomsten geven het werk een evenwichtig karakter.

Het eerste deel bestaat uit een regelmatige afwisseling van twee bewegingen Nicht zu bewegt/Etwas bewegter die drie keer achter elkaar zijn geplaatst. Na een tussenspel volgt een dansachtig deel dat na een imiterend tussendeel in structuur en opbouw wordt herhaald.

In overzicht:

Voorspel aantal maten maatsoort
Frei (ad libitum, kwart=50/60) 5 6 6 2/4
     
I    
Nicht zu bewegt (achtste=100) 5 7 (3+4) 12/8
Etwas bewegter (kwart=100) 16 (4 3 4 3 2) 4/4
Nicht zu bewegt (achtste=100) 5 7 12/8
Etwas bewegter (kwart=100) 16 (6 6 4) 4/4
(Tussenspel) 3 3 4 wisselend in maat
Naspel: Sehr frei (ad libitum kwart=50/60)    
     
II    
Tänzerisch bewegt 10 3/4
  12 5 5 3/4
  10 3/4
  12 5 5 3/4
     
(im Ausdruck ruhig) 12 (imiterend) 5/8
  +2  
unruhig 12 (imiterend) 5/8
     
Naspel    
Wieder Tänzerisch 10 3/4
  12 5 5 3/4
  10 3/4
  12 5 5 3/4
     
Frei (ad libitum kwart=50/60) 6 6 5 2/4 (een vrije kreeft van het begin)





3. Variationen für das Pianoforte-vierhändig

Tijdsduur 05'. Voltooid: 14/05/1977.

Delen: 12 variaties en coda..

Opgedragen aan Jan en Teddy Habets.

Eerste uitvoering: Heerlen, 26/11/1977, Peter Soeters en John Slangen.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Zoals de titel al aangeeft is dit een thema met variaties.

Het thema duurt elf maten, de variaties zijn niet allen elf-matig, veranderen ook van tempo waardoor de duur daarvan aanzienlijk van die van het thema kan afwijken.

I Thema Fliessend (kwart=96)
II Variatie Kräftig, +doppio movimento (kwart=192)
III Variatie Fliessend (kwart =96)
IV Variatie Energisch
V Variatie Leicht
VI Variatie Ruhig
VII Variatie (afwisselend wel en niet in tempo)
VIII Variatie (achtste =192)
IX Variatie Wild
X Variatie (kwart=96) solistisch Frei
XI Variatie A tempo
XII Variatie L'isteso tempo
coda (kwart=96) subito

Er is een groot verschil in moeilijkheidsgraad tussen de primo en de secundo. De primo is technisch veel eenvoudiger. In mijn optimisme was ik ervan uitgegaan dat de primo te spelen zou zijn door T. Habets, toen een van mijn pianostudenten (en mijn mecenas).






4. V Sätze für VII Schlagzeuger

Tijdsduur 08'. Voltooid: juli 1978.

Bezetting:
  1. bekken, 4 tom-toms, bongo's;
  2. triangel, 3 kleine trom, grote trom;
  3. roertrommel, klokkenspel;
  4. conga's, 2 tam-tams, buisklokken;
  5. 3 gongs, vibrafoon;
  6. schellen, koebel, woodblock, marimba;
  7. 3 pauken.
Delen:
  1. Langsam
  2. Presto
  3. Bewegte Achtel*
  4. Breit
  5. Leicht bewegt

*Choral: Wir Christenleut'

Eerste uitvoering: NN, 02/04/1982, Heerlens Slagwerk Ensemble o.l.v. P. Vesana.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Op een voordrachtsavond hoorde ik het werk Anaglyphos van Willem Kersters. Kersters was indertijd compositiedocent in Maastricht (en op het concert aanwezig). Dit werk en het gesprek erna met Kersters stimuleerde mij een werk te schrijven voor slagwerkensemble.

Het is een -nauwelijks verbazingwekkend- werk waarin ritme en ritmische ontwikkelingen de structuur bepalen. Een uitzondering is deel III (het middendeel), waarin vibrafoon, marimba en klokkenspel een melodische beweging uitvoeren.






5. Drei Sätze für Violine und Klavier

Voor viool en piano. Tijdsduur 10'. Voltooid: augustus 1978.

Delen:

Drie met elkaar verbonden delen:

  1. (geen tempo aanduiding)
  2. Lento kwart=72
  3. kwart=135 kwart=120- kwart=135 kwart=120

Eerste uitvoering: Maastricht, 14/12/1978, Margret Schindewolf-Hummel (vl), Peter Soeters (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (ROZ), © 1980 L1.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in de maand augustus 1978. Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.

Het eerste deel bestaat uit vijf delen a-b-c-d-e. Het a gedeelte is zes maten met een gegeven in de viool en de piano, na drie maten in gelijk ritme, worden deze zes maten herhaald met de melodie van de viool in de piano en de secundaire pianolaag verdeeld over piano en viool. De volgende delen ontwikkelen allen op deze a verder.

Het tweede deel is tweedelig. De a is vooral een gedeelte voor piano solo. Wanneer de viool inzet heeft de piano een zeer ondergeschikt laag. Het b gedeelte begint met een viool solo, de piano zet in met een begeleidende figuur en ontwikkelt naar een meer zelfstandige laag.

Het derde deel is een structuur (sonate) waarbij eerst twee hoofdgedachten worden voorgesteld: in snelle groepjes van drie die bij de eerste hoofdgedachte horen, als langzamere groepjes van drie, die karakteristiek zijn voor de tweede hoofdgedachte. Hierna volgt een deel dat materiaal hiervan ontwikkelt. Daarna wordt het eerste deel herhaald zij het dat eerst de tweede hoofdgedachte en dan pas de eerste wordt gespeeld.






6. Alceste

Tijdsduur: 18'. Voltooid: 08/12/1978.

Tekst: naar R.M. Rilke.

Bezetting: 2 solisten (sopraan, tenor), koor (SATB), orkest: 2 fluiten, 2 hobo's (engelse hoorn), 2 klarinetten (basklarinet), 2 fagotten (contrafagot), 4 hoorns, 2 trompetten, 2 trombones, bastuba, 3 slagwerkers (bongo's, 3 kleine trommen, grote trom, woodblock, triangel, buisklokken, klokkenspel, vibrafoon, marimba), 4 saxofoons (SATBar), stijkers.

Delen:
  1. Lebhaft
  2. Mässige Achtel (koor)
  3. Bewegt (koor, tenor)
  4. Belebt (koor)
  5. Breit (sopraan)
  6. Bewegt (koor)
  7. Presto (sopraan, tenor, koor)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De compositie werd geschreven in oktober/november 1978. Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.

Alceste is genomen uit de Neue Gedichte (1906/07). Ten behoeve van de cantate zijn er door mij tekstdelen uit geselecteerd. Dit opus 7 is mijn eerste werk op gedichten van Rainer Maria Rilke, later volgen de liedcyclussen opus 12, opus 19 en 21.

Synopsis: Aan het bruiloftsmaal van Alceste en Admet treedt de dood binnen, hij komt voor Admet (Admet muß sterben. Wann? In dieser Stunde.)

Admet probeert aan de dood te ontkomen door met hem te onderhandelen (Um Jahre, um ein einzig Jahr noch Jugend, um Monate, um Wochen, um ein paar Tage, ach, Tage nicht, um Nächte, nur um Eine, um eine Nacht, um diese nur: um die.) De dood weigert. Dan probeert Admet de dood in plaats van zichzelf zijn vader en/of zijn moeder aan te bieden en dan – zijn ouders als niet plaatsvervangend genoeg inschattend (... sie sind verbraucht und schlecht und beinah wertlos) zijn jonge vriend Kreon (du aber, du, in deiner ganzen Schönheit).

Dan spreekt zijn jonge vrouw de dood aan (Ersatz kann keiner für ihn sein. Ich bins. Ich bin Ersatz. Denn keiner ist zu Ende wie ich es bin. ... ich sterbe ja für ihn). De dood accepteert haar en geeft Admet leven (dem er ... die hundert Leben dieser Erde zuwarf).

Voor zij definitief met de dood naar een andere wereld gaat, draait zij zich om (mit einem Lächeln, hell wie eine Hoffnung, die beinah ein Versprechen war). Admet, wanhopig knielend slaat zijn handen voor zijn gezicht (um nichts zu sehen mehr nach diesem Lächeln).






7. IV Sätze für Orchester

Tijdsduur: 20'. Voltooid: april 1979.

Bezetting: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 4 hoorns, 2 trompetten, 2 trombones, bastuba, 7 slagwerkers (woodblock, triangel, bekken, tam-tam, schellen, bongo's, conga's, 3 kleine trommen, grote trom, buisklokken, klokkenspel, vibrafoon, xylomarimba, marimba), pauken, piano, harp, strijkers.

Delen:
  1. Langsam
  2. ~Presto
  3. Langsam; attacca
  4. Mässig bewegt

Eerste uitvoering: Maastricht, 07/05/1980, Limburgs Symphonie Orkest o.l.v. Ed Spanjaard.

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (ROZ) © 1980 L1.

Werkbespreking:

De vier stukken voor orkest werden geschreven in de eerste vier maanden van het jaar 1979. Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.

Het eerste deel is inleidend; het bestaat uit slechts drie tonen: d-es-as. Deze intervalconstellatie is regulerend voor de samenklankopbouw van het hele werk.

Het tweede is een scherzo met trio waarna het scherzo (verkort) wordt herhaald. Het scherzo staat –ongebruikelijk- in een vijfdelige maat en bestaat uit twee delen. Het 'trio' in drie-vierde maat is eveneens tweedelig. De gevarieerde herhaling van het scherzo wordt gevolgd door een –in verhouding lange- bevestiging van het slot die sterk ritmisch is.
Deel II bewerkt voor piano door Peter Soeters (1982?).

Het derde deel is een mini-concert voor piano en orkest (de piano klinkt hier voor het eerst). Na een inleidende cadens door de piano begint een thema met variaties. Het thema klinkt in het orkest (zonder piano) en bestaat uit twee delen (a en b). De eerste zes variaties zijn gebaseerd op het a gedeelte van het thema: de piano is overwegend omspelend aanwezig. Dan volgt één keer b in de piano solo en het werk sluit met een korte coda.

Het laatste deel is vierdelig: A B A' C. Meer precies: A-B(afgeleid van A)-A' (variatie/ontwikkeling van A)-C (afgeleid van A). Het heeft een sterk contrapuntische opzet.

A

Inleiding (1-21).

Thema: (21-49): het thema is verdeeld over verschillende instrumenten mede vanwege de grote omvang maar vooral om ieder motief van het thema zijn eigen kleur (instrument) te geven. Dit beginsel wordt gedurende het gehele werk volgehouden. Het thema loopt feitelijk van 21-26 wordt dan onderbroken door een solo voor violoncello en gaat verder van 45 tot 49.

Divertimento (tussenspel) I (50-90).

Het thema (91-115) in de tegenbeweging (melodisch stijgend wordt dalend en omgekeerd). Het thema loopt feitelijk van 91-97 wordt dan onderbroken door een solo voor fluit en gaat verder van 110 tot 115.

Divertimento II (115-146)

canon I (147-156) De tweestemmige canon van het thema in de oorspronkelijke beweging (motus rectus) is wellicht moeilijk te volgen vanwege de verdelingen per motief over de instrumenten.

Afsluiting van A (164-206).

B

Hier zet de piano in en blijft deel van het orkest! Nu volgt een vergroting (verdubbeling van de notenwaarden) van het thema in motus rectus. Op de plaats waar eerder de onderbrekingen kwamen staat nu een fermate.

Het nu volgende gedeelte (166-184) kenmerkt zich door de ontwikkeling van een van de motieven met soli achtereenvolgens in de hobo, tenor saxofoon, viool en trombone. Een korte overgang leidt naar een lang fermate waarmee dit deel sluit.

A'

Het thema klinkt ononderbroken in motus rectus.

Divertimento III: dit divertimento bestaat uit een solo voor de trombone en, na een verbind gedeelte (230-270), een solo voor viool.

Het thema klinkt in de tegenbeweging (motis contrarius).

Divertimento IV.

canon II Nu (312-321) klinkt het thema als tweestemmige canon maar met beide thema's in de tegenbeweging.

Een korte afsluiting: (321-325).

C

Een inleiding naar het meest complexe deel van het werk (326-356).

canon III: dit is een dubbelcanon; er is een tweestemmige canon met het thema in gelijke beweging (motus rectus) en tegelijkertijd een tweestemmige canon in de tegenbeweging (motus contrarius).

Slot (367-371).






8. 3 Offertorien

Voor vierstemmig gemengd koor a capella. Tijdsduur 06'. Voltooid: april 1979.

Delen:
  1. Fliessend
  2. Belebt
  3. Mässig bewegt

Uitgever: DONEMUS.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in april 1979. Al tijdens de lessen gregoriaans op het conservatorium raakte ik niet alleen geboeid in de muziek maar ook in de teksten. Met name die van het offertorium (een van de wisselende gezangen per dag) trokken mij aan.

Het eerste is in motettechniek geschreven, dat wil zeggen dat ieder tekstdeel een aparte, vaak imiterend soms ook homophone, tekstbehandeling is toegewezen. In het Improperium komen deze beide vormen voor.

Het tweede deel is dubbelkorig geschreven (het koor splitst zich in twee delen). De bewegingen van koor 1 worden in koor twee in tegenbeweging (intervallen stijgend worden dalend en omgekeerd) geïmiteerd. Dit gebeurt met een tweestemmig begin in Illumina oculos meos (resulteert in vierstemmige zetting).

De rollen worden ook omgedraaid koor 2 zet driestemmig in en wordt geïmiteerd door koor 1: ne unquam obdormiam in morte:  (resulteert in zesstemmige zetting). Het vervolg wordt door koor 1 vierstemmig ingezet en geïmiteerd door koor 2 in: Ne quando dicat inimicus meus (resulteert in achtstemmige zeting). Het laatste tekstdeel is (vierstemmig) homofoon: Ne quando dicat inimicus meus.

Het laatste deel is gebouwd over een gelijkblijvende frase met de tekst Domine die ook achterwaarts wordt gezongen (waarbij de tekst dan eminoD word). Meerstemmige en meer homofone gedeelten wisselen elkaar daarbij af.


Offertoria  
   
Psalmzondag  
   
Improperium exspectavit cor meum: Hoon verwacht mijn hart:
et miseriam: en ellende:
et sustinui qui simul contristaretur, ik wacht op wie met mij bedroefd is
et non fuit en niemand is er
Improperium exspectavit cor meum: Hoon verwacht mijn hart:
et miseriam: en ellende:
consolantem me quaesivi, een trooster gezocht
et non inveni. en niemand is gekomen.
Et dederunt in escam meam fel En zij geven mij gal te eten
et in siti mea potaverunt me aceto. en mijn dorst lessen zij met azijn.
   
   
Vierde zondag na Pinksteren  
   
Illumina oculos meos Verlicht, mijn ogen,
ne unquam obdormiam in morte, dat ik nooit inslaap in de dood,
Ne quando dicat inimicus meus: Zodat mijn vijand nimmer zeggen kan:
Praevalui adversus eum. Ik heb hem overmeesterd.
   
   
Sexagesima-zondag
   
Perfice gressus meos in semitis tuis: Bevestig mijn schreden op uw paden:
Ut non moveantur vestigia mea: opdat mijn voetstappen niet wankelen:
Inclina aurem tuam Buig uw oor naar mij toe
et exaudi verba mea: en luister naar mijn woorden:
Mirifica misericordias tuas: Maak uw barmhartigheid wonderbaar
qui salvos facis sperantes in te, Domine. die redding brengt aan hen die in hem geloven, o Heer

Het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980 .






9. Choral, Chaconne und Finale für Klavier   

Tijdsduur 08'. Voltooid: najaar 1979.

Delen:
  1. Lebhaft*
  2. kwart = 54 attacca
  3. Leicht bewegt

*Choral: So gehst du nun, mein Jesu hin

Eerste uitvoering: Peter Soeters (pf), Maastricht, 25/03/1980.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit opus is mijn eerste in publiek uitgevoerde werk. Het eerste deel is een koraalzetting in de zin van een instrumentaal werk waarin de koraalmelodie is opgenomen.

Een chaconne is oorspronkelijk een langzame dans met een stem (meestal de bas) die voortdurend onveranderlijk wordt herhaald. Deze wordt gecombineerd met vele vormen van tegenstemmen. Zo ontstaat een serie variaties over een gelijkblijvend gegeven. Hier klinkt het gelijkblijvend gegeven negen keer.

Het derde deel is een kort werk gebaseerd op de gecombineerde beweging van twee en van drie noten.

Het werd geschreven augustus/november 1979 en het was een van de werken die ik overhandigde voor het behalen van de Prijs voor Compositie in 1980.






10. Drei leichte Sätze für Cello und Klavier

Tijdsduur 04'. Voltooid: september 1979.

Delen:
  1. Fliessend
  2. Belebt
  3. Mässig bewegt

Eerste uitvoering: NN, 23/01/1981, Cecilia van Hoof (vlc), Peter Soeters (pf).

Wilma P. gewidmet.

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (ROZ) © 1981 L1.

Werkbespreking:

Deze stukken werden geschreven voor mijn vrouw, die toentertijd cello studeerde.

Deel I is vrij van opzet over een kort gegeven in de violoncello.

Deel II is een A B A (sterk verkort).

Deel III is imiterend van opzet.






11. Trio für 2 Klarinetten und Fagott   

Tijdsduur: 07'. Voltooid: mei 1980, revisie: oktober 1983.

Delen:
  1. Mässige Viertel (*)
  2. Zart und sehr ausdrucksvoll
  3. Lebhafte Viertel

*Choral: Es steh’n vor Gottes Throhne

Eerste uitvoering: Maastricht, 27/10/1996, Roger Debougnoux (klar.), Roger Niessen (klar.) en Jolanda Wolters (fagot).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: particuliere opname © 1980 JSL.

Werkbespreking:

De compositie werd geschreven in mei/juni 1980.

Deel I bestaat uit drie keer de herhaling van de koraal. De eerste keer als koraal met twee tegenstemmen en tussen de regels korte tussenspelen. Vervolgens wordt de koraal twee gevarieerd, zodanig dat het karakter van iedere variatie een andere is.

Deel II is gebouwd op de mogelijkheden de tel in vijven en veelvouden van vijf te verdelen. Deze structuur is daarbij zodanig dat de tweede helft de terugloop is van de eerste.

Deel III is driedelig (een A B C). C lijkt eerst op een herhaling van A, maar na 13 maten wordt de herhaling afgebroken en volgt een vrij afsluiting.






12. IV Rilke Lieder

Gedichten: R.M. Rilke, Voor stem en piano. Tijdsduur: 08'. Gecomponeerd 1979/80.

Delen:
  1. Betrachte Sie
  2. Wir dürfen dich
  3. Ihr Mund
  4. Lösch mir die Augen aus

Eerste uitvoering: NN, 16/04/1980, Ingrid Schmithüsen (sopr) en Ed Gerits (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (ROZ) © 1980 (?) L1.

Werkbespreking:

De gedichten zijn allen uit het Stundenbuch (1899/1903) van RM Rilke. 'Betrachte Sie' uit Stundenbuch III, 'Wir dürfen dich' uit Stundenbuch II nr 7, 'Ihr Mund' uit Stundenbuch III nr 24, en Lösch mir die Augen aus' uit Stundenbuch I. (© Insel verlag)

Zij werden gecomponeerd in juni 1980, januari 1979, augustus1978 en september 1979.

Op gedichten van Rainer Maria Rilke schreef ik eerder 'Alceste' opus 7 en later de liedcyclussen opus 19 en 21.






13. II Sätze für 16 Blockflöten

Voor 4 sopraan-, 4 alt-, 4 tenor en 4 basblokfluiten. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 31/08 1980.

Delen:
  1. Fliessend
  2. Mässig bewegt

Op verzoek van Fiet Nafzger en Anette Habets.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven op 23 juni en 29/31 augustus 1980.

In mei 1980 hadden twee docenten blokfluit aan het conservatorium mij gevraagd iets te schrijven voor blokfluitensemble. Feitelijk daardoor is dit werk ontstaan, ik zou anders niet op de gedachte zijn gekomen dit werk voor blokfluitensemble te schrijven. Ik kwam erop doordat mij tijdens het werken aan een stuk, zonder een voorstelling voor welke instrumenten het was bedoeld, opviel dat ik geen 'bas' als register had gebruikt. Aangezien de blokfluitbas als laagste toon een 'f' heeft, en dus feitelijk geen bas, herinnerde ik mij het verzoek.

Het werk bestaat uit twee delen.

Het eerste deel is driedelig, dat wordt ook in het gebruik van de instrumenten hoorbaar. Deel A is op zijn beurt driedelig: a wordt gespeeld door sopranen en alten, b door tenoren en bassen en c door alten en tenoren. Deze structuur wordt gedragen door een canontechniek. Deel B is tweedelig, goed te horen aan de sterke vertraging halverwege. Ook hier heeft de keuze van de instrumenten zowel naar klank als naar gedachte een dienende taak naar de structuur. Deel C is een gevarieerde herhaling van A.

Het tweede deel is gebaseerd op een gegeven van vijf noten in gelijke duur (in het begin kort). Het eerste gedeelte (A) ontwikkelt deze vijfnoten figuur in de waarde van achtsten. In B treedt de figuur op in kwartlengte. In C worden kwart- en achtstelengten gecombineerd. Na een kort deel(D) met alleen kwartlengten keren de achtstelengten terug in een andere maat (E) . Een korte coda (in lange noten en gebaseerd op de vijftonige figuur) sluit het werk.






14. II Sätze für Klavier

Tijdsduur: 05'. Voltooid: december 1980.

Delen:
  1. Leicht bewegt
  2. Lebhaft attacca coda

Ed Gerits gewidmet.

Eerste uitvoering: Maastricht, 15/12/1982, Tonie Ehlen.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Beide delen werden geschreven in december 1980.






15. Quaestio: V Sätze für Streichorchester

Voor 12 eerste violen, 10 tweede violen, 8 altviolen, 8 violoncelli en 6 contrabassen. Tijdsduur: 15'. Voltooid: augustus 1981.

Delen:
  1. Fuge
  2. Variationen
  3. Kinderlied (*)
  4. Finale
  5. Coda

* En er was ereis een vrouw

In opdracht van de Nederlandse Regering.

Uitgever: DONEMUS.

Werkbespreking:

De delen werden geschreven in september (I) en december (II) 1980 en in januari (III) en februari (IV en V) 1981.

Het deel I is een fuga in de oude betekenis van het woord: namelijk bedoeld als canon. Hier is het thema in zichzelf een meerstemmig gegeven. Dit meerstemmig gegeven wordt herhaald in de tegenbeweging (stijgend wordt dalen en omgekeerd), van achter naar voren en in de combinatie van achter naar voren met tegenbeweging.

Schematisch:

register 1 B (is A van achter naar voren)
register 2 A gegeven 1-36
register 3 C (is A in de tegenbeweging)
register 4 D (is A van achter naar voren en in tegenbeweging)

Het deel II is een thema met elf variaties (samen twaalf delen).

Het deel III is gebaseerd op een kinderlied. Het kinderlied 'en er was ereis een vrouw' is een van de eerste kinderliedjes waarvan ik mij kan herinneren dat ik dat als kleuter heb gezongen. Ik ken de tekst en melodie nu noch.

En er was ereis een vrouw
die koeken bakken wou,
en dat meel
dat wou niet rijzen.
En de pan viel om,
en de koeken waren krom
en die man heet
Jan van Gijzen.

Hier is het lied in een zodanige vergroting gezet dat het dit gehele derde deel omspant.

Het deel IV is een snel driedelig deel en gaat over in V (de Coda).






16. II Sätze fur Violoncello-solo

Tijdsduur: 08'. Voltooid: maart 1981.

Delen:
  1. Breit, attacca Lebhaft
  2. Ruhige Halben(*)

* Variaties over Het daghet inden oosten

Eerste uitvoering: Maastricht, 11/04/1981, Jos Kamp (vlc).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (ROZ) © 1981 L1.

Werkbespreking:

De twee stukken werden geschreven in februari/maart 1981.

Het eerste deel bestaat feitelijk uit twee delen : een langzame inleiding (Breit) en een snel deel (Lebhaft). Dit Lebhaft is opgezet in canontechniek tot halverwege het werk. Daar volgt in een vertraging de terugloop van het geheel en dus ook van de canon. Het geïmiteerde (wat in de eerste helft de comes was) wordt dat wat geimiteerd wordt (namelijk dux). Feitenlijk wordt het hier een canon in de kreeftegang.

Het tweede deel bestaat uit variaties over een oud Nederlands volkslied. Het volkslied zelf wordt door de octaveringen vervreemd van zijn melodische volgorde. Er volgen acht variaties, of beter gezegd ontwikkelingen : een gegeven uit het lied wordt zelfstandig verwerkt.






17. II Lieder auf Texten von Clare Ebden

Gedichten: Clare Ebden, Voor stem en piano. Tijdsduur: 04'.

Delen:
  1. Der Beambte
  2. Sonatine

Geschreven op verzoek van Ed Gerits.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Deze korte liederen werden geschreven in mei 1981.






18. Konzert für Klarinette und Klavier

Tijdsduur: 27'. Voltooid: juni/juli 1981.

Delen:
  1. Lebhaft
  2. Ruhige Viertel
  3. Bewegt

Geschreven in het kader van een dansproject dat uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden

Eerste uitvoering: Heerlen, 30/08/1981, Paulien Ten Koppel (klar.) en Arno Dieteren (pf.).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: particuliere opname © 1981 Paulien Ten Koppel en Arno Dieteren.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in de maanden mei/juni 1981

Het eerste deel (12') is in een sonatestructuur (met drie thema's) geschreven. Het eerste deel is in vier blokken van twee minuten, vier minuten, twee minuten en vier minuten, een regelmatige verdeling. De eerste twee minuten en de twee volgende zijn een pre-expositie; de drie hoofdgedachten (es-es-e) komen voor echter zonder referentietoon-tegenstelling tussen de eerste twee. Dan volgt de expositie (4')met de drie hoofdgedachten (nu wel met referentietoon-tegenstelling tussen de eerste twee es-bes-bes ) een verwerking (2') en een re-expositie(4') met de herhaling van de drie (es-es-e) hoofdgedachten (zonder referentietoon-tegenstelling tussen de eerste twee). Dit deel sluit met lange cadens voor pianosolo.

Het tweede deel (6') bestaat uit drie blokken van ieder twee minuten. Het begin van het eerste deel doet inleidend aan (1-14) alsof het werk pas (na een vertraging) effectief (met een a tempo) in maat 15 begint. In maat 61 begint het middendeel dat gekenmerkt wordt door de vele zich herhalende figuren. Dit deel gaat bijna ongemerkt over in een licht gevarieerde herhaling van het begindeel, zij het dat het begint op de 'maat 15' (in het a tempo na de voorafgaande vertraging).

Het derde (9,5') deel heeft in het groot als schema de vorm: A B C-(cadens) B A. Het eerste deel(A) is een ontwikkeling over een gegeven dat de klarinetsolo inzet. In maat 122 begin B, de vorige 6/8 maat gaat over in een 2/4, die in 211 terugkeert naar de 6/8: het middendeel C begint. Dit deel eindigt in een langere klarinetsolo. Hierna herneemt B de beweging in 2/4 en volgt een herhaling van A. Het werk wordt afgesloten met een cadens voor beide instrumenten en een kort slotbevestiging.






19. III Fragmente aus den Duineser Elegien

Gedichten: R.M. Rilke, Voor stem en piano. Tijdsduur: 04'. Gecomponeerd augustus 1981.

Delen:
  1. Und plötzlich (aus Elegie V)
  2. Und wir (aus Elegie VIII)
  3. Wer hat uns (aus Elegie VIII)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Deze drie korte liederen werden geschreven in de maanden mei(I) en augustus (II en III) 1981.

Duineser Elegien is de titel van een bundel met tien elegieën (klaagzangen, meditatieve gedichten) die R.M. Rilke schreef tussen 1912 en 1922.

Op gedichten van Rainer Maria Rilke schreef ik eerder 'Alceste' opus 7 de liedcyclussen opus 12 en (later) opus 21.






20. Quintett

Voor 2 trompetten, hoorn, trombone en bastuba. Tijdsduur: 09'. Voltooid: oktober 1985.

Delen:
  1. Vorspiel, (attacca)
  2. Kanon
  3. Rezitativ und Ländler
  4. Fuge
  5. Finale

Eerste uitvoering: Maastricht, 25/04/1984, studenten van het Conservatorium Maastricht.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in september (I, II) en oktober (III, IV en V) 1981.

Deel I (Langsam) is duidelijk tweedelig en heeft een inleidend karakter.

Deel II (lebhaft) is een kanon met een thema verdeeld over twee instrumenten (vanwege de omvang). Het thema klinkt als eerste in de trompet 2 en hoorn en wordt geïmiteerd in de tuba/trombone, ritmisch in de dubbele notenwaarde. Tijdens de voortzetting van deze vergroting is er een tweede imitatie; het thema in de tegenbeweging (stijgende intervallen worden dalen en omgekeerd) is in de trompet2 en hoorn. Dit wordt opnieuw geïmiteerd in de vergroting in tuba en trombone. Wanneer deze imitatie is voltooid sluit het werk. Trompet 1, trompet 2 en hoorn spelen vrije tegenstemmen als zij niet een thema hebben.

Deel III (met de kwart als MM 80) combineert twee verschillende karakters: een recitatief met een rustige platteland-wals (Ländler). De opeenvolging is Rezitativ-Ländler I-Ländler II-Rezitativ II.

Deel IV ((Sehr belebt) is een korte zeer vrije Fuga (compositie met vele herhalingen van een gegeven). Het thema is in motieven verdeeld over de instrumenten, dat geldt ook voor de tegenstemmen. Nadat het thema drie keer heeft geklonken (expositie) volgt een tussenspel van vier maten. Na één inzet (re-expositie1) is er een tussenspel (divertimento) van één maat. Nu volgt een gedeelte (expostie) met drie inzetten van een tweede thema, gevolgd een lang ontwikkelend tussenspel. Het volgende deel heeft drie inzetten van een derde thema en één keer het eerste thema. Na één maat tussenspel klinkt twee keer het thema 2 en vervolgens een combinatie van de drie thema's.

Het deel V (Lebhaft) is kort en snel en een variant van deel I. Het functioneert als levendig naspel.






21. Zwei Gesänge für Singstimme und Orgel

Gedichten: R.M. Rilke. Tijdsduur: 11'. Voltooid: januari 1982.

Eendelig:
  • Toccata
  • Recitativ und Arioso (XXX)
  • kleines Prélud
  • Variation I
  • Variation II
  • Toccata double (XXXVI)
  • double Intermezzo
  • Choral
  • Variation III (*)
  • Schluss

* Choral: Die Nacht ist kommen

Geschreven voor de Internationalen Studienwoche Zinzig 1982.

Eerste uitvoering: Zinzig, 11/08/1982, Ingrid Schmithüsen (sopr.) en Bertold Wicke (orgel).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: WDR III © 1982 WDR.

Werkbespreking:

De gedichten zijn genomen uit het Stundenbuch (1899/1903): das Buch vom Mönchischem Leben nr XXX en XXXVI van RM Rilke. (© Insel verlag)

Het werk werd geschreven in eind december 1981 en begin januari 1982. Het bestaat uit een aaneenschakeling van verschillende karakters die ieder hun uitdrukking in te onderscheiden gestiek vinden. Het geheel werkt daardoor als een fantasie. De karakterverschillen vinden hun oorsprong in de tekst.

De Toccata is een voorspel. Met het Recitativ und Arioso begint de tekstuitbeelding van het eerste gedicht en gaat tijdens het 'kleines Prélude, tot de Variation I (over de toccata). De Variation II is een voorspel voor het tweede gedicht. Dit tweede gedicht begint in de Toccata double en duurt voort in het Intermezzo, de Choral en de Variation III (over de toccata met de koraal die kan, maar niet moet worden gezongen door een koor), tot in de Schluss.

Op gedichten van Rainer Maria Rilke schreef ik eerder 'Alceste' opus 7 de liedcyclussen opus 12 en opus 19.






22. Drei kleine Stücke für zwei Klavieren

Tijdsduur: 05'. Voltooid: februari 1982

Delen:
  1. Tänzerisch
  2. Langsam und sehr ausdrucksvoll
  3. Scherzando

Opdracht: Petra Maria A. zur Freude.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in drie dagen op 09(I), 08 (II) en 07/08 (III) februari 1982.

Boven het eerste deel staat 'Tänzerisch', dit is echter meer een karkateraanduiding dan dat er hier sprake is van een dans. Een eenduidige dans wordt verhinderd door de combinatie van een vier- en driekwartsmaat die beide in dat karakter worden uitgevoerd. Na 16 maten (vierkwart) (a) is er een -twee maten durende- abrupte tempowijziging: veel langzamer (b). Daarna in hoofdtempo een variatie/ontwikkeling van a en ook hier volgt b. Dan een verkorte a en met b sluit het deel.

Het langzaam deel II heeft een spiegelstructuur: in maat 12 wordt de muziek achterwaarts uitgevoerd en leidt zo natuurlijk tot een afsluiting wanneer zo weer maat 1 wordt bereikt.

Deel III is kort en tweedelig, waarbij het tweede deel een ontwikkeling is van het eerste.






23. Partite Diverse über einen eigenen Choral

Eendelig. Tijdsduur: 10'. Voltooid: lente 1982.

In opdracht van het Fonds van de Scheppende Toonkunst.

Eerste uitvoering: Maastricht (OLV Basiliek), 29/06/1982, Tjeu Zijen.

Uitgever: DONEMUS.

Opname: L1 (ROZ) © 1982 L1.

Werkbespreking:

Het werk, zeven stukken (partites) naar een koraalzetting van eigen hand, werd geschreven de maanden februari/maart 1982.

Na de koraal volgen er vijf variaties die worden afgesloten door een finale. De variaties (partite 2 t/m 5) volgen een klassiek principe, namelijk dat van een uitgeschreven versnelling door het gebruik van steeds kleinere notenwaarden. Partite zes is een adagio in variabele structuur: dat wil zeggen dat de structuur in zijn geheel vast staat maar dat er tijdens de realisering van die structuur mogelijkheden tot improvisatie zijn gegeven. Finale (partite zeven) betekent hier letterlijk; een afsluitend gedeelte dat nog wordt bevestigd door een zeer korte (zeven maten durende ) coda.






24. Der Tor und der Tod   

Kammeroper. Tijdsduur: 60'. Gecomponeerd: 06/07/1982.

Text: Hugo von Hofmannsthal, libretto: John Slangen/ Christoph Amrhein.

Bezetting:
  • Claudio (sprechstimme)
  • Tod (bar.)
  • Mutter (alt)
  • Mädchen (sopran)
  • Jugendfreund (bar.)
  • Koor: SATB
  • Orchester: fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn. piano, 4 violen, 2 altviolen, 2 violoncelli, contrabas.
Delen:
  • Vorspiel
  • I Claudio, Chor/Claudio
  • II Der Tod, Claudio/der Tod
  • Zwischenspiel
  • III Claudio/der Tod/Die Mutter (Chor)
  • Zwischenspiel
  • IV Claudio/der Tod/Das Mädchen (Chor)
  • Zwischenspiel
  • V Claudio/der Tod/Der Jugendfreund(Chor)
  • Zwischenspiel
  • VI Claudio/der Tod/Schluss Chor

Geschreven op verzoek van Maria en Christoph Amrhein voor Johannes Geffert en de Kantorei der St Kreuz Kirche in Bonn.

Eerste uitvoering: 19 IX 1985, Heerlen.

Regie: Christoph Amrhein.

Solisten: Ingrid Schmithüsen (Mädchen), Gemma Visser (Mutter), Math Dirks (Freund), Peter Kokkelmans (Tod), Spreekstem: Christoph Amrhein (Claudio)

Voorbereiding koor: Peter Kokkelmans

Leden van het Limburgs Symphonie Orkest, het Ensemble Contraint en het Limburgs Vocaal Ensemble o.l.v. Arno Dieteren.

Pianouittreksel (opus 24b)

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (Radio Omroep Limburg) © 1985 L1.

Werkbespreking:
Synopsis

Claudio heeft zijn leven vooral gebruikt om op een aangenaam oppervlakkige manier te genieten. Oud geworden ontdekt hij dat hij diepgang in zijn leven heeft gemist en ervaart dat als een tekortkoming. Als de Dood voor hem staat vraagt hij uitstel 'Ich habe nicht gelebt'. De Dood is echter onverbiddelijk en toont hem de grote kansen die hij heeft gehad: achtereenvolgens zijn door hem verwaarloosde moeder, de zelfzuchtige instelling naar en veronachtzaming van de liefde van het meisje, en de uitbuitende en minachtende houding naar zijn vriend. Hiermee geconfronteerd berust Claudio; 'Da Tod mein leben war, sei du mein leben. Tod'.

Veelvuldig verwerkt is het Duitse volkslied lied: 'Es kommt ein Schnitter, der heisst Tod' Het werkt als een 'Leitmotiv-achtig' bindmiddel door alle delen van de opera heen.






25. Lieder an die Nacht

Gedichten: Nicolaus Lenau. Voor stem en piano. Tijdsduur: 05'. Voltooid: november 1982.

Delen:
  1. Bitte
  2. Stimme des Windes
  3. Mein Herz
  4. Winternacht

Eerste uitvoering: Maastricht, 24/02/1984, Peter Kokkelmans (tenor) en Tonie Ehlen (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De liederen werden geschreven in november 1982 onmiddellijk aansluitend aan de uitvoeringen van mijn opera 'Der Tor und der Tod'.

Ik las al geruime tijd het verzamelde werk en ook de gedichten van Lenau (1802-1850) en werd getroffen door de sombere toon en beeldspraak van de poëzie. Als uit het niets, alsof het een soort ontlading was, ontstonden in korte tijd deze liederen.

De titel heb ik zelf aan dit werk gegeven, in elk van de gedichten wordt de duisternis van de nacht aangesproken: 'Unergründlich süße Nacht', 'In Schlummer ist der dunkle Wald gesunken', 'Schlaflose Nacht' en in de titel 'Winternacht'.'


Bitte

Weil' auf mir, du dunkles Auge,
übe deine ganze Macht,
Ernste, milde träumerische
Unergründlich süße Nacht.

Nimm mit deinem Zauberdunkel
Diese Welt von hinnen mir,
Daß du über meinem Leben
Einsam schwebest für und für.


Stimme des Windes

In Schlummer ist der dunkle Wald gesunken,
Zu träge ist die Luft, ein Blatt zu neigen,
Den Blütenduft zu tragen, und es schweigen
Im Laub die Vögel und im Teich die Unken.

Leuchtkäfer nur, wie stille Traumesfunken
Den Schlaf durchgaukelnd, schimmern in den Zweigen,
Und süßer Träume ungestörtem Reigen
Ergibt sich meine Seele, schweigenstrunken.

Horch! überraschend saust es in den Bäumen
Und ruft mich ab von meinen lieben Träumen,
Ich höre plötzlich ernste Stimme sprechen;

Die aufgeschreckte Seele lauscht dem Winde
Wie Worten ihres Vaters, der dem Kinde
Zuruft, vom Spiele heimwärts aufzubrechen.


Mein Herz

Schlaflose Nacht, der Regen rauscht,
Sehr wach ist mir das Herz und lauscht
Zurück bald nach vergangnen Zeiten,
Bald horcht es, wie die künftgen schreiten.

O Herz, dein Lauschen ist nicht gut;
Sei ewig, Herz, und hochgemut!
Da hinten ruft so manche Klage,
Und vorwärts zittert manche Frage.

Wohlan! was sterblich war, sei tot!
Naht Sturm! wohlan! – wie einst das Boot
Mit Christus Stürme nicht zerschellten,
So ruht in dir der Herr der Welten.


Winternacht


Vor Kälte ist die Luft erstarrt,

Es kracht der Schnee von meinen Tritten,

Es dampft mein Hauch, es klirrt mein Bart;

Nur fort, nur immer fortgeschritten!

Wie feierlich die Gegend schweigt!
Der Mond bescheint die alten Fichten,

Die, sehnsuchtsvoll zum Tod geneigt,

Den Zweig zurück zur Erde richten.



Frost! friere mir ins Herz hinein,
Tief in das heißbewegte, wilde!

Daß einmal Ruh mag drinnen seyn,

Wie hier im nächtlichen Gefilde!





26. X Kleine Klavierstücke

Tijdsduur: 14'. Voltooid: 1983.

Delen:
  1. Im Nebel
  2. Bauerntanz
  3. Andante varié
  4. Obertöne
  5. Variationen über ein cis
  6. Fantasie (*)
  7. Lebhaft
  8. Abendmusik
  9. Register und Tonvorrat
  10. Schlussstück (**)

* n.a.v. de geboorte van Catherine Delnooz
** n.a.v. de geboorte van Birgit Wetzels

Eerste uitvoering: Tonie Ehlen (pf), Maastricht (?), 05/01/1985.

Te verkrijgen via auteur.

CD: 5 eeuwen Maastrichtse Muziek © 2001 Conservatorium Maastricht.

Werkbespreking:

Dit werk kent een langere ontstaansgeschiedenis. De stukjes werden als losstaande composities geschreven en op zekere dag gebundeld in deze volgorde.

De stukken werden geschreven in: 1/2 (1981 tijdens een vakantie in Esztergom, Hongarije), 3/4/5 (1983), 6(1982) 7/8/9 (1983) en 10 (1979)

Wolfgang Güdden bewerkte deze stukken voor klein ensemble.






27. Praescriptum für Posaune und Klavier

Voor trombone en piano. Tijdsduur: 11'. Gecomponeerd/voltooid: juli 1983.

Delen:
  1. -
  2. Presto possibile
  3. Kanon
  4. Codafuge

Op verzoek van Harrie Ries en Ed Gerits.

Opdracht: Voor Bertje.

Eerste uitvoering: Heerlen, 11/03/1985, Harrie Ries (trb) en Ed Gerits (pf)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Praescriptum (voorschrift: een verwijzing naar de voorgeschreven handelingen om op het instrument muziek uit te voeren) werd geschreven in de maanden juli (I), maart/mei (II) en juni (III,IV) van 1983.

Het werk laat over de delen verdeeld een steeds sterkere binding aan de tijd (tempo en teleenheid) zien.

In deel I is het tempo steeds een inschatting van de speler en wisselt voortdurend. Het samenspel wordt ook sterk door de inschatting bepaald (variabele structuur), waardoor het –terecht- een sterk improvisatorische indruk maakt.

In deel II hebben beide spelers vrije en aan de tel gebonden passages al dan niet onderling gecombineerd. Basaal zijn er vier mogelijkheden: beiden vrij, de een vrij en de ander gebonden, de ander gebonden en de een vrij, beide gebonden.

Deel III is een canon; de imitatie is gebaseerd op het aantal noten waaruit de onderscheiden motieven bestaan. De canon wordt herhaald waarbij de stemmen van plaats wisselen: wat trombone was wordt piano en omgekeerd. Uiteraard zijn hier aanpassingen aan de zetting noodzakelijk.

Deel IV is een korte fuga waarbij het fugathema ritmisch is en in de verwerkingen karakterveranderingen ondergaat omdat het in een ander metrisch schema wordt geplaatst.






28. Infaustus für Querflöte und Klavier

Voor fluit en piano. Tijdsduur: 12'. Voltooid: mei 1984.

Delen:
  1. Lied
  2. Kanonische Variationen (in Legato und Staccato)
  3. Passacaglia

Eerste uitvoering: Maastricht, 22/04/1986, Heleen de Witte (fl) en Tonie Ehlen (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

In die tijd was ik nogal pessimistisch gestemd over de positie van hedendaagse muziek in de maatschappij en mijn eigen plaats daarbinnen. De titel -onheilbrengend- is daar een neerslag van. Welk onheil zou mij door deze compositie beschoren zijn?

Het werk werd geschreven in mei (I) en april (II en III) 1984. Het eerste deel is een eigentijdse bewerking van het lied 'Frühlingsglaube' (Uhland) van K.F. Curschmann (1805-1841) een indertijd zeer gewaardeerd liederencomponist.

Het tweede deel is een canon, maar de elementen van de kanon zijn niet hoogte en/of duur maar de opeenvolging van legato (aan elkaar gebonden noten) en staccato (los van elkaar gespeelde noten). Het articulatie thema klinkt eerst in de fluit, dan in de piano. Vervolgens in de fluit met de piano als nevenlaag ,dan in de piano met de fluit als nevenlaag.

Een passacaglia is oorspronkelijk een (langzame) dans die bestaat uit een voortdurend herhaalde stem (meestal de bas) en daarboven steeds andere tegenstemmen. Ook hier is de voortdurende herhaling (het ostinaat) een articulatie. Het klinkt achtereenvolgens in de fluit(solo), in de piano (solo), verdeeld over fluit en piano, in de piano (fluit als nevenstem), in de fluit (piano als nevenstem), in allebei de fluit en de piano.






29. Vijf Variaties

Voor violoncello en piano. Tijdsduur: 04'. Voltooid: 23/09/1984.

Op verzoek van Jos Kamp.

Eerste uitvoering: Heerlen, 20/12/1984, leerlingen (kinderen!) van de Muziekschool Heerlen.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Vijf Variaties voor violoncello en piano over het volkslied 'Altijd is Kortjakje ziek'.

Het thema (variatie I) is verdeeld tussen piano en violoncello. De tweede variatie speelt het thema in secunden (over octaven verdeeld),de cello ontwikkelt materiaal uit de melodie. De derde variatie is een ontwikkeling van met name het beginmotief in de piano met de cello als vrije stegenstem. De vierde variatie is een tegenbeweging (intervallen in de tegenrichting van het origineel) in gelijke notenwaarden in de violoncello, de piano heeft akkoorden een ritme dat telvrij is (dient te worden ingeschat naar plaatsing binnen de maat). De vijfde variatie is een ontwikkeling waarbij de opeenvolging van de delen afhankelijk is van de inschatting van de beide spelers (variabel). Een korte afsluiting herinnert aan het oorspronkelijk begin van de melodie in de cello.






30. Tuchè   

Bezetting: 2 violen, altviool en violoncello. Tijdsduur: 14'. Voltooid: januari 1988.

Delen:
  • Vorspiel
  • I Russisches Volkslied in Variationen
  • Zwischenspiel
  • II Con fuoco
  • Coda

Eerste uitvoering: Maastricht, 23 10 1985, Elke Seynsche (vl), Patrick Heckmans (vl), Christoph Klein (vla) en Francesco D'Arcangelo (vlc).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: Stichting Intro © 1985 Stichting Intro.

Werkbespreking:

Het werk is genoemd naar de god van geluk, ongeluk en het lot uit de Griekse mythologie. Vanuit de wat pessimistische gedachte ´wat zal de compositie van dit werk mij brengen`.

Op de televisie zag ik een uitzending met historische opnamen over het vroeg twintigste -eeuwse leven op het platteland van het Russische Tsarenrijk. Twee vrouwen zongen, gedeeltelijk zelfs tweestemmig, een volkslied dat mij direct aansprak. Ik noteerde de muziek om hem niet te vergeten. Uiteraard heb ik heb geen idee wat de tekst betekent of in welke streek deze opname was gemaakt.

Het werk werd geschreven in augustus/oktober 1984 en januari 1985.

Het kwartet begint met een furieus voorspel. Deel I is een opeenvolging van het volkslied met zeven variaties. De eerste variatie is een reductie van het melodisch materiaal van het thema en de tweede een ritmische reductie van het thema. De derde variatie gaat voort op het idee van de ritmische reductie: de cello speelt het ritme van het thema in de accenten van de doorgaande noten. De vierde variatie volgt de zinsstructuur van het thema in de opeenvolgende klankvelden. De vijfde variatie brengt het thema in de verkorting en in tegenrichting van de intervallen binnen een drukke beweging van de andere instrumenten. In de zesde variatie klinkt het ritme van het thema –achter de kam- in de cello. De zevende variatie brengt een vergaande verkleining van het thema en ontwikkelt dat.

Na een kort tussenspel (adagio molto) volgt deel II (Con Fuoco). Na een furieus begin (A) en na tot rust te komen gaat dit over in (B) waarin het ritme is gegeven maar de spelers kunnen kiezen uit een gegeven toonvoorraad. Geleidelijk gaat dit over in voorgeschreven toonhoogte in een telvrij ritme (zo snel mogelijk). Het volgende C is gekarakteriseerd door een 'seht zart' en kenmerkt zich door de vele tremolo's. Hierna volgt een deel D dat 'Wild' met 'Ruhiger' afwisselt. Dan volgt een variant op B en na opnieuw (E) een 'sehr zart' met vele tremolo's volgt een herhaling van A con fuoco waarna het werk met een korte coda sluit. Schematisch A B C D B' E A.






31. Vereinzelte Lieder

Voor stem en piano. Tijdsduur: 07'.

Delen:
  1. Vocalise
  2. Das Mädchen spricht I (gedicht: H. von Hofmannsthal)
  3. Das Mädchen spricht II (gedicht: H. von Hofmannsthal)
  4. Begegnung (gedicht: Johanna Schiffers)
  5. Sommerbild (gedicht: Fr. Hebbel)
  6. Ardenner Wald (gedicht: P.M. Amrhein)
  7. Wassermännerringeleien (gedicht: P.M. Amrhein

Eerste uitvoering: Heerlen, 03/12/1989, Marja Schermerhorn (sopraan) en Marianne Habets (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: NOS © 1989 NOS.

Werkbespreking:

Zoals de titel al aangeeft is dit een bundeling van liederen die verspreid door de tijd werden geschreven, respectievelijk in 1982, '84, '84, '83, '83, '86 en datum onbekend (na '81).






32. Carbone Notata: IV Orchesterlieder

Gedichten: W. Kusters. Bezetting: stem, 2fl 2 hob 2kl(baskl) 2fag 4hr 2trp 2trb tb 2perc vibr pf str(9 9 6 6 2). Tijdsduur: 10'. Voltooid: juni/juli 1985.

Delen:
  • Orkest
  • I Geen boom maar...
  • Orkest
  • II Ik heb de zegelboom...
  • Orkest
  • III Je bent omhoog gekomen...
  • Orkest
  • IV Ik lichtte...

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De eerste versie van deze compositie was er een voor stem en piano in februari 1985. Al snel kwam ik tot de gedachte deze uit te werken voor stem en orkest. De instrumentatie gebeurde in maart en april 1985.

De gedichten zijn genomen uit de bundel Carbone Notata (1979, © E.M. Querido B.V.)

De orkestgedeelten zijn instrumentale versies van de liederen en wel in omgekeerde volgorde:

  • Orkest (lied IV)
  • I Geen boom maar...
  • Orkest (lied III)
  • II Ik heb de zegelboom...
  • Orkest (Lied II met toegevoegde stem)
  • III Je bent omhoog gekomen...
  • Orkest (Lied I)
  • IV Ik lichtte...

Later schreef ik op gedichten van dezelfde dichter 'Twee liederen voor zangstem en 11 spelers' (opus 37).






33. Telgang

Voor klarinet en piano. Eendelig. Tijdsduur: 10'. Voltooid: januari 1986.

Voor N. het onnoembare.

Eerste uitvoering: Schinnen (Ter Borg), 22/04/1986, Paulien ten Koppel (kl) en Arno Dieteren (pf)

Te verkrijgen via auteur.

Opname: NOS © 1986 NOS.

Werkbespreking:

Telgang werd geschreven in de periode oktober1985/januari 1986. Het werk is opgedragen aan Matty Niël, mijn compositieleraar. In die tijd waren wij nauwelijks nog met elkaar 'on speaking terms'. Ik durfde zijn naam toen niet voluit op de partituur te schrijven om elke reactie van hem te vermijden. Hij was overigens wel tijdens de eerste uitvoering van Telgang aanwezig (zonder te weten dat dit werk aan hem was opgedragen).

De titel is ontleend aan een beweging zoals die bij vierbenige dieren voorkomt: de benen bewegen paarsgewijs evenwijdig in plaats van kruiselings. Hier heeft deze naamgeving vooral betrekking op de wijze van wel of niet tellen van een gegeven teleenheid van beide spelers.

Het eendelige werk heeft verschillende in elkaar overgaande delen. Deel A bestaat uit vier delen. Het eerste gedeelte(a)- beide spelers tellen gelijktijdig - is gebaseerd op het begin van de sequens Dies Irae uit de gregoriaanse dodenmis.

In het volgende (b) deel telt de ene speler (piano) wel, de andere (klarinet) heeft een telvrij (in te schatten) ritme, dan tellen beide niet (!) met een telvrij ritme en vervolgens telt de ene speler (klarinet) wel, de andere (piano) heeft een telvrij (in te schatten) ritme.

Nu volgt een deel (c) waarin de klarinet een voorgeschreven melodie heeft en de piano een voorgeschreven ritme en kan kiezen uit een gegeven toonvoorraad. Na (d) beiden kort telvrij te zijn geweest heeft de piano een gegeven partij en de klarinet een telvrij ritme.

In het nu volgend deel B heeft de klarinet drie partijen (e,f,g) en de piano drie partijen (h,i,j) Deze zijn onderling vrij te combineren, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld e kan worden gecombineerd met zowel h,i of j. Hier speelt ieder één regel.

Nu volgt een deel C dat in het begin (k) erg aan a doet denken. Vervolgens een gedeelte voor piano solo (l).

Nu volgt een herhaling van B alleen moeten er nu twee van de drie regels worden gespeeld.

Nu volgt D met in (m) in de klarinet multiphonics (meerklank) en in de piano akkoorden, dan een deel (o) dat wordt gekarakteriseerd door de clusterakkoorden in de piano.

Nu volgt opnieuw B, nu worden alle drie de regels gespeeld.

In E worden in (p) de multiphonics in de klarinet verder uitgewerkt en gecombineerd met melodische figuren, de piano speelt strikt akkoorden en daarna (q) veranderen de akkoorden in snelle bewegingen.

Schematisch (een rondo met gevarieerde coupletten dat met een refrein begint) A B C B' D B' E.

Een woord van dank is hier op zijn plaats aan Paulien, die mij erg geholpen heeft met het oplossen van enige technische kwesties (met name de multiphonics).






34. Vier-sprong

Voor violoncello-solo. Tijdsduur 10'. Voltooid: 10/03/1986.

Delen:
  1. Agitato
  2. kwart=80
  3. kwart=126
  4. kwart=126 (kwart=80)

Eerste uitvoering: Maastricht, 29/04/1986, Alexander Petrasch (vlc).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: NOS © 1986 NOS.

Werkbespreking:

Vier/sprong, een toespeling op de strijkstok die heen en weer wisselt tussen de vier snaren van de cello, werd geschreven in december 1985 (I en II), maart (III) en mei (IV) 1987.

Deel I is tweedelig; een eerste gedeelte boven een snel gestreken laagste snaar (orgelpunt C) en een gedeelte waarbij de beweging is gekenmerkt door de combinatie van één, twee , drie of vier noten.

Deel II combineert klankleurtechnieken met snel herhalende groepen van twee en drie noten (ook in kwarttoonafstand).

Deel III is een meerduidige structuur. De volgorde van de 8 delen staat niet vast en wordt geregeld door de volgende mogelijkheden van volgorde (er kan begonnen worden op 1,4,5,of 8):

1 2 3 4 5 6 7 8 4 3 2 1 8 7 6 5 5 6 7 8 1 2 3 4 8 7 6 5 1 2 3 4
1 2 3 4 8 7 6 5 4 3 2 1 5 6 7 8 5 6 7 8 4 3 2 1 8 7 6 5 1 2 3 4

Deel IV begint met een deel (a) gebaseerd op repeterende tonen en wordt gevolgd door een deel (b), waarin het hoofdtempo met een rustiger tempo ( kwartnoot = 80) wordt afgewisseld. Het kenmerkt zich door de combinatie van snelle noten en rustigere flageoletten (fluittonen). Daarna keert een beweging terug (c) die sterk doet denken aan de tweede uit deel I. Hierna sluit het werk met een prestissimo fragment en een korte afbouw.






35. Oorspronkelijken en anderen: Declamatorium voor spreekstem en piano

Gedichten: M.Vrijman (L.D.). Tijdsduur 35'. Voltooid: januari 1986.

Delen:
  • De Kolossen
  • Voorzichtig
  • citaat uit 'Storm'
  • Ontevredenheid
  • Agitato
  • citaat uit 'Storm'
  • Zweven
  • Tijdmeters
  • Belangstellenden
  • Dikke
  • Storm
  • De weg
  • Druïde's werkplaats

In opdracht van Louk Dubois.

Eerste uitvoering: Maastricht, 07/09/1987, Eric Hermans (stem) en Tonie Ehlen (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: particuliere studio opname © 1987 JSL.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in juni-augustus en oktober 1986-januari '87. De teksten zijn genomen uit de bundel ´Oorspronkelijken en Anderen', later schreef ik een aantal liederen uit dezelfde bundel (opus 36).

Het declamatorium (gesproken tekst met muziek) als zelfstandige kunstvorm is in de twintigste eeuw sterk in onbruik geraakt. De oorspronkelijke naam ´melodrama´ heeft in het Nederlands een uitgesproken negatieve betekenis: er wordt een overdreven emotioneel gedrag mee bedoeld.

In de geschiedenis van de muziek is het declamatorium sterk vertegenwoordigd. Beroemd waren de melodrama´s van Georg Anton Benda en de later levende Max von Schillings. Ook Schumann en Richard Strauss schreven melodrama´s (om slechts enkele te noemen). Ook in opera´s komen fragmenten als melodrama voor.

Het idee sprak me aan. Een muziek, in onderscheidde mate afhankelijk van een tekst die niet gereciteerd of gezongen maar gesproken wordt. Met name de wijze van afstemming van de muziek en de timing van het gesproken woord interesseerde me.

Na een voorspel (Presto) volgt de korte tekst 'De Kolossen' waarna een op het voorspel gebaseerd naspel volgt. 'Voorzichtig' voor stem alleen heeft een rustiger karakter en wordt –met piano- gevolgd door een citaat uit 'Storm'. Deze tekst is als citaat tussen de diverse teksten geplaatst, hier uit het middendeel van deze tekst.

Na een voorspel volgt 'We vormen' op een herhalend akkoord. Het sluit na een kort naspel aan op 'Ontevredenheid' (met wisselende ostinaat-tremolo's) en na een tussenspel volgt een tweede citaat uit 'Storm'(de begintekst en de reeds geciteerde regels).

Na een kort voorspel volgt 'Zweven' voor stem alleen.

Na een voorspel volgt 'Tijdmeters' de muziek staat stil: het is een zich herhalende beweging van twee tonen.

Na een naspel volgt 'Belangstellenden' voortdurend begeleidt door wisselende ostinaten (gelijkblijvende figuren). Dit deel sluit met een voorspel meteen aan op 'Dikke'.

Nu volgt een presto dat is gebaseerd op het eerste presto.

'Er is een breuk' is weer voor stem alleen. Na een voorspel volgt 'Storm', dat reeds gedeeltelijk geciteerd werd en nu helemaal wordt gesproken.

Na een naspel volgt “De weg' voor stem alleen en na een kort voorspel 'Druïdes werkplaats' dat gedeeltelijk niet en gedeeltelijk wel van muziek is voorzien.

Een verkorte versie van het presto sluit het werk.

Schematisch:

voorspel (presto) De Kolossen met muziek -
voorspel (presto) Voorzichtig stem alleen -
voorspel Citaat uit Storm met muziek naspel
- We vormen gedeeltelijk stem alleen/gedeeltelijk met muziek -
- Ontevredenheid met muziek -
voorspel Citaat uit Storm met muziek -
voorspel Zweven stem alleen -
voorspel Tijdmeters gedeeltelijk stem alleen/gedeeltelijk met muziek naspel
- Belangstellenden met muziek -
voorspel Dikke met muziek -
voorspel (presto) Er is een breuk stem alleen -
voorspel Storm met muziek naspel
- De weg stem alleen -
voorspel Druïde's werkplaats met muziek naspel (presto)





36. Liederen uit Oorspronkelijken en Anderen

Gedichten: M.Vrijman (L.D.). Bezetting: zangstem, viool, klarinet en violoncello. Tijdsduur 18'. Voltooid: januari 1990.

Delen:
  1. Voorspel
  2. Oorspronkelijken
  3. Anderen
  4. Doen
  5. Een goede boodschap
  6. De zachte wind
  7. Moeder nacht

In opdracht van Louk Dubois.

Eerste uitvoering: Maastricht, 06/11/1991, Adrienne Coenegracht (sopr), Anette Krohne (vl), Huub Hellebrand (kl) en Ulrike Ley (vlc).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: particuliere studio opname © 1991 JSL.

Werkbespreking:

Dit is mijn tweede compositie op teksten van M. Vrijman (L.D.). Eerder schreef ik een declamatorium voor stem en piano (opus 35).

Liederen kent een lange ontstaansgeschiedenis verspreid over een drietal jaren: Oorspronkelijken (februari 1988), Moeder nacht en Voorspel (oktober '88), Anderen (januari '89), Doen (september '89), De zachte wind (oktober/november '89) en Een goede boodschap (januari '90).

Schematisch:

Voorspel Allegro kwart=152
Oorspronkelijken Calmo kwart=60
Anderen Agitato molto kwart=104
Doen kwart=108
Een goede boodschap kwart=88
De zachte wind kwart=100
Moeder nacht Misterioso, tranquillo kwart=76





37. Twee Liederen voor zangstem en 11 spelers   

Gedichten: W.Kusters. Bezetting: stem, fl hob kl fag hrn pf 2vl vla vlc cb. Tijdsduur 06'.

Delen:

Twee met elkaar verbonden delen:

  1. Elis
  2. Een deur van lood

Geschreven in opdracht van de Provincie Limburg voor het tweede lustrum van Ensemble Contraint.

Opgedragen aan de Dood.

Eerste uitvoering: Maastricht, 22/03/1991, door Wilke te Brummelstroete (sopr) en het Ensemble Contraint o.l.v. Arno Dieteren.

Uitgever DONEMUS.

Opname: L1 (Radio Omroep Zuid) © 1991 L1.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in december 1988 en geïnstrumenteerd in januari 1989.

Het gedicht Elis is genomen uit de bundel 'het leven op stoomschepen' en Een deur van lood uit 'Laatst' (© EM Querido's Uitgeverij B.V.). De muziek volg sterk de structuur van de indrukwekkend mooie gedichten van Wiel Kusters.

Het is overigens een van mijn eerste werken in digitale muzieknotatie (in het toen vigerende programma Professional Composer).






38. Kringloop

Voor piano. Eendelig. Basistempo kwart=100. Tijdsduur 06'. Voltooid: 05/01/1992.

Op verzoek van Tonie Ehlen.

Opgedragen aan Tonie Ehlen.

Eerste uitvoering: Maastricht, 18 IV 1991, Tonie Ehlen.

Te verkrijgen via auteur.

Opname: L1 (Radio Omroep Zuid) © 1991 L1.

Werkbespreking:

Kringloop is een serie van twaalf variaties en ontwikkelingen gebaseerd op twee maten van deel twee van de 'Sechs kleine Variationen für Klavier' (1975) van Matty Niël.

Dit werk is een eerbetoon aan mijn leraar compositie in Maastricht. Het werd gedeeltelijk in 1989 (I t/m IV, VI en IX) en in 1990 (V, VII, VIII, X, XI en XII) geschreven en vond zijn definitieve vorm in 1991. De delen I/IV werden begonnen onder de indruk van het overlijden en de teraardebestelling (mei 89) van Matty Niël.

Het werk bestaat uit de opeenvolging van meer instrumentale en meer 'vocale' gedeelten.

De eerste twee maten zijn het citaat van Niël: het bestaat uit twee bewegingen (motieven). Variatie I ontwikkelt kort het eerste motief, dan een verkorting van het tweede (met imitatie) en herhaalt de korte eerste ontwikkeling.

Variatie II ontwikkelt motief één en (de verkorte) twee op een andere manier tegen de achtergrond van een meer virtuoze zetting van zich herhalende tonen.

Variatie III geeft een meerstemmige (contrapuntische) verwerking van de twee motieven, het tweede is daarbij volledig.

Variatie IV ontwikkelt vooral motief een. Een tweede laag ontwikkelt van nevenstem naar hoofdlaag.

Variatie V (agitato) is sterk akkoordmatig; de akkoorden ontstaan uit een onder elkaar plaatsen van de eerste noten van motief twee. Het karakter is een voortzetting van de zojuist belangrijk geworden hoofdlaag: agitato.

Variatie VI (espressivo molto), Na een afbouw van het agitato van het vorige deel volgt een strikt tweestemmige zetting, waarin de motieven een en twee quasi vocaal worden verwerkt.

Variatie VII (agitato) is weer een snel 'bewogen' met name over motief een.

Variatie VIII wisselt het karakter van een meerstemmige zetting met die van een melodie met een nevenlaag (begeleiding), met name weer over beide motieven.

Variatie IX (Wild) heeft weer een virtuoos karakter en is sterk op motief twee gebaseerd.

Variatie X is een melodische hoofdstem (motief een) met twee nevenlagen (begeleidingen).

Variatie XI (espressivo molto)is weer een strik tweestemmige quasi vocale zetting over beide motieven.

Variatie XII (agitato) is een virtuoze slotvariatie uitlopend in de twee citaatmaten van Niël.






39. Naamtrek

voor klavecimbel en alt-blokfluit. Tijdsduur 07'. Voltooid: 03/04/1992.

Voor Tadé

Eerste uitvoering: Maastricht, 29/10/1999, Mathieu Vermeulen (a-blkfl) en Fons van de Linden (clav)

Te verkrijgen via auteur.

Opname: Stichting Intro © Stichting Intro 1999.

Werkbespreking:

Naamtrek (verkorte handtekening) werd geschreven in maart/april 1992 en is een serie variaties over een onveranderlijke stem (ostinaat). Deze is op zijn beurt gebaseerd op een bas uit de aria 'When I am laid' uit Dido and Aeneas (1688) van Henry Purcell.

Dit ostinaat is als volgt verwerkt:

  • variatie 01: het ostinaat klinkt tweemaal gefragmenteerd in de fluit.
  • variatie 02: het ostinaat klinkt omspeeld in de fluit met overgang naar:
  • variatie 03: het ostinaat –meerstemmig- in de fluit met overgang naar:
  • variatie 04: het ostinaat- tweemaal verspreid in registers- solo in de fluit
  • variatie 05: het begin van het ostinaat –als kwart stijgend- verwerkt in de omspeling van de fluit
  • variatie 06: de chromatische kwart van het ostinaat wordt ontwikkeld in het clavecymbel
  • variatie 07: de chromatische kwart van het ostinaat wordt ontwikkeld in de fluit
  • variatie 08: het ostinaat klinkt tweemaal gefragmenteerd in de fluit
  • afsluitend gedeelte: stilstand op een akkoord op e en de toon e.





40. Koorden

Twee tekstloze stukken voor vierstemmig gemengd koor. Tijdsduur 12'. Voltooid: 1993 (?).

Delen:

Delen:

  1. Presto
  2. halve=88

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Koorden werd geschreven in eind maart/begin mei 1991 (deel 2) en eind september/begin oktober 1991 (deel 1). Om welke redenen dan ook heeft het zijn definitieve vorm pas gekregen in 1993(?).

Deel I kenmerkt zich door de vele imitaties en verwerkingen daarvan (fugato).

Nadat vier stemmen een ritme hebben voorgesteld (A: 1-26) volgt een verwerking daarvan met toegevoegde melodische fragmenten (B: 27-55). Nu volgt een herhaling van 'A' met een vaste toegevoegde tegenstem en vrijere melodische lijnen. (C: 56-82). Het vierde deel (D) verwerkt de imitatieritmen met die van de melodische lijnen (83-143) waarna het werk sluit met een klankveld.

Deel II is voor het overgrote deel een klankveld-compositie. Het eerste klankveld (A) bestaat uit drie delen: sopranen en alten (1-21), sopranen, alten en tenoren, bassen (22-51), alten, tenoren en bassen (52-85). Dit deel wordt besloten met een melodisch fragment in de bassen.

Het tweede subdeel (B) kenmerkt zich door de ritmische structuur die binnen de maat een vrij inschatting van het ritme mogelijk maakt. Daartussen mengen zich langere noten die steeds belangrijker worden. Uiteindelijk vallen de vrije inschattingen geheel weg en blijven de lange noten over (86--179).

Het derde subdeel (C) is geen klankveld; er zijn duidelijke melodische lijnen die gebaseerd zijn op een uitgangsopeenvolging van de toonhoogten.

Dit loopt uit op een afsluitend klankveld in de vrouwenstemmen: die vierstemmig klankveld (de vrouwenstemmen zijn verdeeld) wordt steeds verder uitgedund tot een pauze onvermijdelijk is (het einde van het werk).






41. Epacta

Voor fluit en piano. Tijdsduur 15'. Voltooid: 1994 (Revisie november. december 1999).

Delen:

Drie met elkaar verbonden delen:

  1. (geen tempo aanduiding)
  2. Lento kwart=72
  3. kwart=135 kwart=120- kwart=135 kwart=120

Op verzoek Ottolien Otto en Tonie Ehlen.

In opdracht van de Provincie Limburg.

Opgedragen aan: Ottolien Otto en Tonie Ehlen.

Eerste uitvoering: Maastricht, 13 september 1995, Ottolien Otto (fl) en Tonie Ehlen (pf).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: Radio-omroep L1 © 1995 L1.

Werkbespreking:

Een EPACTA is het aantal dagen dat op de eerst januari verlopen is, sinds de laatste nieuwe maan. Wat mij in het woord heeft aangetrokken is dat een vaste aanduiding (het epacta) wordt gebruikt voor een inhoud (het aantal dagen) dat steeds anders kan zijn.

Waarom heb ik deze titel gekozen? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk; helaas voert dat onmiddellijk naar technische beschrijvingen; niettemin wil ik proberen de keuze toe te lichten.

In de muziek bestaan er, in de meest gebruikelijke zin van het woord, twaalf tonen. Deze kunnen in diverse registers worden herhaald zodat er voor het oor meer dan twaalf tonen hoorbaar zijn. Wanneer deze registerherhalingen niet worden meegeteld blijven er twaalf verschillende tonen over; in Epacta worden er slechts negen gebruikt. De tonen C, E en GIS komen niet voor: zo is er sprake van een vaste hoeveelheid tonen( de vaste aanduiding) die steeds anders optreedt.

Het werk bestaat uit drie met elkaar verbonden delen:

Het eerste deel kenmerkt zich door groepjes tonen in de fluit en de piano die in lengte groeien; deze groei wordt een aantal keren gevarieerd herhaald. Dit deel duurt ongeveer 4 1/2 minuut.

Het tweede deel bestaat op zijn beurt weer in drie delen. Het eerste is een melodie in de fluit die wordt begeleidt door de piano; in het volgend deel heeft de piano de hoofdstem en wordt begeleid door de fluit (die groepjes speelt uit het allereerste deel) en tenslotte spelen in het derde deel fluit en piano beide melodische hoofdstemmen en begeleidingsfiguren (gelijktijdig en ongelijktijdig). Dit deel duurt ongeveer 4 minuten.

Het laatste deel valt uiteen in twee gedeelten. Het begint met een piano solo en kenmerkt zich door repeterende tonen. Nadat de fluit heeft ingezet speelt de piano een hoofdstem die is gebaseerd op groepjes uit het allereerste gedeelte. Hierna volgt een virtuoos deel met in de fluit repeterende tonen die door de piano met accenten wordt ondersteund. Wat nu volgt (het tweede deel) is een omkering van dit laatste gedeelte: de muziek van de piano wordt –veranderd- door de fluit gespeeld en andersom. De fluit begint met een solo die door de piano spaarzaam wordt begeleidt. Nadat de piano heeft ingezet speelt de fluit een hoofdstem die is gebaseerd op groepjes uit het allereerste gedeelte, Hierna volgt een virtuoos slot met in de piano, door het register gespreide , repeterende tonen die in de fluit met accenten wordt ondersteund. Dit deel duurt ongeveer 6 minuten.






42. Keper   

Trio voor fluit, viool en violoncello. Eendelig. Tijdsduur 08'. Voltooid: 26/08/1995.

Geschreven op verzoek van Ensemble 88.

Eerste uitvoering: Maastricht, 10/03/1996, Heleen de Witte (fl), Roeland Gehlen (vl) en Alex Geller (vlc).

Te verkrijgen via auteur.

Opname: Stichting Intro © 1996 Stichting Intro.

Werkbespreking:

Dit werk werd onder grote tijdsdruk geschreven: ik had er precies vijf dagen voor. Ik weet niet meer waarom dat zo was, uiteindelijk vond de uitvoering pas veel later plaats.

De term Keper wordt in de weverij gebruikt als aanduiding voor het patroon dat ontstaat door de manier waarop de ketting en de inslag door elkaar gevoerd worden; hier een symbool voor de manier waarop de stemmen met elkaar worden verbonden.

Het werk bestaat uit acht delen. In het eerste deel (inleidend) vormen de drie instrumenten samen één instrument. Het tweede deel is een fluit solo waarbij de twee andere instrumenten begeleiden. Het derde deel is een duet tussen viool en violoncello, de fluit begeleidt. Het vierde deel is een viool solo waarbij de twee andere instrumenten begeleiden. Het vijfde deel is een duet tussen fluit en violoncello, de viool begeleidt. Het zesde deel is een violoncello solo waarbij de twee andere instrumenten begeleiden. Het zevende deel is een duet tussen fluit en viool, de violoncello begeleidt. Het achtste en afsluitende deel is een trio: drie instrumenten worden zelfstandig behandeld.






43. Heilig Weer

Zeven liederen voor zangstem en piano op gedichten van Leo Herberghs. Tijdsduur 07'. Gecomponeerd 07/08/1995, (kleine revisie: lente 2002).

Delen:

Drie met elkaar verbonden delen:

  1. overkant
  2. naast...
  3. mond
  4. bitter
  5. daaronder
  6. rundren
  7. steen

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het is mijn eerste cyclus liederen op teksten van Leo Herberghs. Ik stuitte op zijn bundel 'Heilig Weer' tijdens een verkoop van boeken in de stadsbibliotheek Maastricht. Ik was er onmiddellijk zeer van onder de indruk en het stond voor mij vast er iets compositorisch mee te gaan doen.

De liederen werden geschreven eind juli-begin augustus tijdens een vakantie in Italië (Limone sul Garda) toen het zo warm was dat je overdag nauwelijks in de zon kon zijn. Ik had de bundel van Herberghs in mijn reiskoffer en zo kwam het dat ik op een schaduwrijk terras, van een huis in een berghelling, met een fantastisch uitzicht op het Gardameer deze korte liederen schreef.






44. Rabot

Voor orgel. Eendelig. Tijdsduur 07'. Voltooid: 16/01/1996 (revisie: 10/11/1999).

Op verzoek van de Stichting Orgelconcerten Noorbeek.

Eerste uitvoering: Noorbeek, 01/08/1996, Hans Leenders.

Uitgever: Stichting Orgelconcerten Noorbeek.

Opname: Radio 04 © 1996 KRO.

Werkbespreking:

Rabot werd gecomponeerd vanaf eind oktober tot begin december 1995. De uiteindelijke vorm had het in januari 1996.

De titel Rabot is een zuidnederlands woord voor 'een keersluis in eene beek, zwin of waterloop'(Van Dale's Handwoordenboek der Nederlandsche taal 1925). Het woord verwijst naar een belemmering in een stromend geheel. Deze belemmering wordt in de compositie teruggevonden in de vorm van sterk ritmische bepaalde gedeelten die een strijd aangaan met melodische bewegingen in het stuk. Eerst doorbreekt de melodische beweging deze belemmering, dan weer blijkt het ritme sterker dan het melodische.

Na een korte inleiding volgt een sterk ritmisch bepaalde beweging (ritmisch klankveld): in zes lagen worden in verschillende tijdsafstanden dezelfde tonen herhaald. Door de verschuivingen, voortkomend uit de verschillende tijdsafstanden, gaan deze tonen met elkaar steeds wisselende verbindingen aan, waardoor steeds andere betekenissen ontstaan.

Van deze zes lagen blijven er twee over. Eronder ontwikkelt zich een melodische beweging die, na het verdwijnen van de twee resterende melodische lagen, de overhand neemt.

Al snel moet deze –nu eenstemmige- beweging onderbrekingen dulden door akkoorden en akkoordopeenvolgingen. Nadat de akkoorden deze hoofdstem hebben weggedrukt komen zij in zichzelf tot stilstand in de vorm van een akkoord dat enige tijd wordt herhaald. Dit akkoord wordt vervolgens afgebouwd en verliest zichzelf in een tweede, streng georganiseerd, ritmisch klankveld.

Ook van dit klankveld blijven slechts twee lagen over en eronder ontstaat opnieuw een melodische hoofdstem. Nu echter moet de melodische hoofdstem het afleggen tegen de te sterk ritmische beweging. Deze uitgebreide voortzetting van het tweede klankveld groeit uit in steeds complexer samengestelde akkoorden. Tot slot volgt een gevarieerde herhaling van het begin.

Overigens bestaat dit stuk, zoals enige van mijn andere werken, uit slechts negen tonen; in Rabot komen de e, g, en bes niet voor.






45. Dragspel

Voor 6 accordeons. Eendelig: kwart=100 halve=88 kwart=100. Tijdsduur 15'. Voltooid: januari 1998.

In opdracht van de NCRV Radio.

Opgedragen aan Cees Zeevaart.

Uitgever: DONEMUS

Werkbespreking:

Dragspel (het Zweedse woord voor accordeon) werd geschreven in de periode februari/mei 1997. Uiteindelijk vond het zijn definitieve versie in januari van het daarop volgende jaar.

De vorm is georganiseerd op basis van twee hoofdgegevens (quasi de expositie van een sonate met voor- en naspel). Na een inleiding van drie minuten (1-105) volgt gegeven 1 (1 minuut). Nu volgt eerst een bevestiging van de hoofdtoon van het eerste gegeven (e) in maat 105-165 die ongeveer 1.5 minuut duurt. Nu word de e als referentietoon verlaten en bewegen we naar de bes (165-219) in ongeveer twee minuten.

Dan volgt hoofdgegeven 2 met als referentietoon de bes (220-243) dat 1 minuut duurt. Nu volgen drie groepen die in tijd steeds korter worden ( 70'', 50'',30''), eerst als bevestigingen van de toon bes in 244-270, dan via g 270-287 terug naar e (288-300). Hierna volgt een naspel van drie minuten, met elementen uit de inleiding.






46. Touter

Touter: schommel.

Trio voor viool, violoncello en piano. Eendelig kwart=100. Tijdsduur 07'. Voltooid: herfst 1997.

In opdracht van de Limburgse Muziekscholen. In het bijzonder de Stichting KV Noord-Limburg.

Gecomponeerd voor het genoegen van allen die op hun instrument de eerste vorderingen hebben gemaakt.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Touter werd geschreven in november 1997 en was onderdeel van een project van de Limburgse Muziekscholen om aan componisten opdrachten te geven voor het schrijven van werken voor kinderen die op hun instrument nog niet ver waren gevorderd.

Aanvankelijk kreeg ik een positieve reactie uit Venlo, de componist Gerard Franck complimenteerde mij met het werk. Later bleek het toch moeilijk dit werk tot uitvoering te brengen.

Het bestaat uit een eenvoudige A-overgang-B-C, waarbij de delen steeds korter worden: respectievelijk 3,5 minuten, 2,20' (2/3 van de A) en 1,10'(1/3 van de A), een korte coda (25') sluit het werk. De A bestaat uit twee elementen (a en b) die in maten steeds worden verkort (onderbroken door een gelijk blijvende c en d):

a b c d
8 14    
6 12    
    10 10
4 10    
2 8    
    10 10

Nu volgt een overgang met ook een verkorting van het aantal maten dat de muzikale gedachte duurt: respectievelijk 6,4,2(+3) maten.

De B bestaat uit drie langere groepen: e heeft 13 + 12 maten, f heeft 5+ 10 maten, g heeft 10 maten.

Daarna (C) volgt een herhaling van c en d waarbij de bewegingen, die eerst in één instrument waren, nu over de drie instrumenten wordt verdeeld: eerste per twee dan per drie instrumenten.

Tot slot een coda.






47. Kesp

Kesp: verbindingshout tussen twee naast elkaar staande houten palen.

Voor vrouwenkoor. Tijdsduur 08'. Voltooid: lente 1998.

Delen:

Delen:

  1. halve=66
  2. kwart=76

Op verzoek van het Vocaal Ensemble Kerkrade.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk schreef ik in twee dagen op dinsdag 26 en woensdag 27 mei 1998. Het zijn tekstloze stukken voor een twee-drie- en vierstemmig vrouwenkoor bestaande uit sopraan- en altstemmen. De titel verwijst naar de verbindende functie die de muziek heeft naar de twee stemliggingen die door de muziek in elkaar smeltend worden verbonden.

Het eerste deel A begint met een melodische ontwikkeling uit een unisono (a), gevolgd door een kort ritmische gedeelte (b). Het volgend deel (B) ontwikkelt het voorafgaande a gedeelte (c) en sluit met het kort ritmische gedeelte (d). Dan volgt C, een ontwikkeling over het voorafgaande b gedeelte die dit deel afsluit.

Het tweede deel is overwegend vierstemmig en bestaat uit vier delen. Het eerste deel A is een klankleuren beweging binnen een kwint (d'-a'). Het tweede deel B breidt de beweging uit tot een groter omvang (octaaf + terts: b-d). Het derde deel(C) grijpt terug op de klankleuren beweging binnen dezelfde kwint als in het begin. Een Coda sluit dit deel met de kwint (d'-a').






48. Rasure

Rasure: afgekrabde plaats in handschrift.

Voor altviool-solo. Tijdsduur 07'. Voltooid: herfst 1998.

Delen:
  1. kwart=60 poco rubato
  2. kwart=120

Op verzoek van Pierre Colen.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Aan Rasure werkte ik maart/mei en in september. De titel verwijst naar de vele doorhalingen en het uitgummen vooral in het tweede deel: op zeker moment had ik de indruk meer noten weggegumd dan effectief geschreven te hebben..

Het eerste deel is rustig en gelijkmatig in opbouw: het bestaat uit twee delen van 20 maten die ieder weer zijn verdeeld in twee groepen van 10 maten. Het toont een geleidelijke ontwikkeling van uit een toon naar een beweging van meerdere tonen en weer geleidelijk terug naar een toon.

Het tweede deel is iets complexer in bewegingen maar heeft een overzichtelijk structuur (A B A' B' A'' B''), A kenmerkt zich door een wat onrustig ritme en veel verschillende speeltechnieken. B door een overgang naar een voortgaande beweging in snelle noten met veel open snaren en een afbouw daarvan.






49. Twee Stukken voor Orkest

Bezetting: 2fl 2hob 2kl 2fag 4hrn 2trp 2trb tb 2perc str. Tijdsduur 12'. Voltooid: 29/09/2004.

Delen:
  1. kwart=60
  2. Vivace

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Ook dit werk kent een lange ontstaansgeschiedenis. Eerste versies waren er in juni en september 1998. In Januari 1999 instrumenteerde ik het eerste en in maart het tweede deel. De uiteindelijke vorm was er in september van het jaar 2004.

Het eerste deel begint met een A die bestaat uit een hoofdgedachte(a) een ontwikkeling (b canonisch) en een stilstand op een akkoord (c en d). Dan volgt B met een tweede hoofdgedachte (e) en de variaties daarvan in de delen (e',e'',e'''). Nu volgt C, een verwerkend gedeelte dat is gestructureerd als volgt: f (ontwikkelt a), g (ontwikkelt b) h (ontwikkelt c) en i (ontwikkelt d) en daarmee een ontwikkelende herhaling van A . E is een herhaling van e met drie variaties (e4,e5, en e6), en daarmee een ontwikkelende herhaling van B. Tenslotte volgt een afsluitend deel F dat via een afbouw van maatgroepering (13.13.9.9.5.5.3.2.1) leidt naar een slot.

Schematisch:

  • A
  • B
  • C (uit A)
  • D (uit B)
  • E

Het tweede deel is een A met vier groepen (a,b,c,d) en een B met vier groepen (e,f,g,h). Hierna volgt een ontwikkeling over A (in vier gedeelten) en over B (in vier gedeelten) waarna het werk met een Coda sluit.

  • A
  • B
  • C (uit A)
  • D (uit B)
  • E

Beide delen lijken op elkaar in structuur, zijn echter totaal verschillend muzikaal inhoudelijk gebouwd.






50. Trio voor viool, violoncello en piano

Tijdsduur 14'. Voltooid: 29/04/2004.

Delen:
  1. achtste=130
  2. kwart=138

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk kent een lange ontstaansgeschiedenis. Begonnen in februari 1995 werd het pas voortgezet in 1999 in de maanden april/mei september/december. Pas in januari 2003 werd het tweede deel en in maart 2004 werden het eerste deel voltooid. Terugkijkend weet ik niet meer waarom dit allemaal zo heeft moeten duren…

In het eerste deel is er voor een groepering van zeven maten een hoofdrol: ze is bepalend voor het gehele deel, dat een thema (in drie groepen) met twee variaties is. De eerste gedeelte (A) bestaat uit eerst (a) in drie groepen van zeven maten , vervolgens (b) in drie groepen van zeven. Daarna volgt A' met eerst (a) drie groepen van zeven, dan (b') met drie groepen van zeven en dan (c') met drie groepen van zeven. Nu (A'') met (a'') drie groepen van zeven en (b'') drie groepen van zeven en tenslotte (c'') met drie groepen van zeven.

Het tweede deel bestaat basaal uit vijf delen van gelijke lengte. Iedere groep bestaat uit twee bewegingen. De eerste (A) uit een a en een b (die een ontwikkeling is van a). De tweede (B) uit c en d die beiden een ontwikkeling zijn van de vorige b. Wat nu volgt (C) is afgeleid van de eerste a en b en het volgende (D) is afgeleid uit c en d. Het werk eindigt met een deel E dat weer afgeleid is van de eerste A.






51. Kilk

Voor saxofoonkwartet. Eendelig. Tijdsduur 11'. Voltooid: 29/09/2000.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven in februari-maart en voltooid in september. De titel is het gevolg van een foutieve lezing van het woord kilkoud (kil-koud) dat ik eerst las als kilk-oud. Ik vroeg me af wat dat betekende maar vond de klank van het woord kilk wel mooi, zo werd het de titel van het werk dat ik op dat moment schreef.

Het werk begint (A) met de tegenstelling tussen een melodisch(a) en een ritmisch deel(b). Na een variatie van deze a (a') volgt een variatie over de b (b'). Nu volgt een instabiel overgangsgedeelte (B) naar een canonisch deel (C), in die zin dat de imitaties van de canon variaties zijn van hetgeen geïmiteerd wordt (canon varié). Vervolgens (D) komt een ontwikkeling over b en b' en daarna over a en a'.

Nu worden de delen A, B, C en D herhaald: echter in de volgorde C, B, A, D. In het groot is dit een gevarieerde herhaling in die zin dat de elementen anders zijn gerangschikt en daarmee een andere relatie met elkaar aangaan.

Een coda besluit het werk.






52. Thixis   

(Lat.): aanraking.

Voor twee piano's. Tijdsduur 11'. Voltooid: 25/10/2000.

Delen:
  1. kwart=100
  2. kwart=50
  3. kwart=140

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De eerste versie werd geschreven op 19 juni (III), en 21 (I), 22 (II) augustus 2000.

Deel I is gebaseerd op twee bewegingen: een kort ritmisch motief en een melodische beweging. Het eerste onderdeel (A) wordt daardoor beheerst. Het tweede onderdeel (B) is eerst sterk ritmisch van aard, dan keert de melodie terug en daarna wordt het ritmische motief ontwikkeld. Het volgende deel (C) lijkt op A: dezelfde gestiek echter in een iets andere omgeving. Het laatste gedeelte (E) neemt de melodie als uitgangspunt maar wordt dan sterk ritmisch, grijpt terug op de melodie die uitloopt in een korte ontwikkeling van de eerste ritmische beweging.

Deel II is zeer symmetrisch gebouwd het zijn twee groepen van twee keer vier maten gevolgd door vier maten afsluiting.

Deel III bestaat vijf groepen van ongelijk lengte. Er is in dit deel een bepalende sterk ritmische beweging (a) en een minder van belang zijnde melodische beweging (b).

Het overzicht:

A a/b
  a/b
   
B ontwikkeling over a
  ritmische afbouw vanuit vorige zin
  ontwikkeling over a
   
C ontwikkeling over de vergroting van a
  idem
  een groot crescendo (harder worden)
  een lang diminuendo (zachter worden)
   
D ontwikkeling over a met contrasterend (lyrischer) karakter ten opzicht van B en C
  idem
  meer ritmische ontwikkeling over a
  ritmische afbouw vanuit vorige zin
   
E (slotgroep) ontwikkeling over a





53. Casu quo

(Lat.): in welk geval.

Voor 2 piano's. Eendelig: kwart=108. Tijdsduur: 06'. Voltooid: 21/08/2000.

Op verzoek van Tonie Ehlen.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De eerste versie van dit werk werd geschreven op 14,15, en 16 augustus en voltooid op de 21e.

Het bestaat uit drie blokken die ieder weer uit drie delen bestaan. Blok 1 begint meet een sterk ritmisch deel (A) gevolgd door een meer melodisch deel (B) dat wordt gevolgd door weer een sterk ritmisch deel (C). Nu volgt in blok 2 een deel D dat uit A is ontwikkeld , dan een variatie op B (B') en E een ontwikkeling op het voorafgaande B deel. Blok 3 begint (F) met een ontwikkeling uit A en B, er volgt een tweede variatie op B (B'') en vervolgens een sterk ritmische ontwikkeling uit C.

Schematisch:

A (ritmisch)
B (melodisch)
C (ritmisch)
   
D (ontwikkeld uit A)
B'' (variatie op B)
E (ontwikkeld uit B')
   
F (uit A en B)
B'' (een tweede variatie op B)
G (ontwikkeld uit C)





54. Veraf geblazen adem

7 liederen voor zangstem (bariton) en piano. Tijdsduur: 14'. Voltooid: 28/09/2000.

Delen:
  1. voorspel
  2. ademt
  3. akker
  4. oud dorp
  5. schrijven
  6. stiller
  7. nauwelijks
  8. bestaan

Op verzoek van Peter Eijkenboom.

Eerste uitvoering: Limbricht, 20/05/2001, Peter Eijkenboom (bar) en Tonie Ehlen (pf). In aanwezigheid van de dichter.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het voorspel en zes liederen werden geschreven in de maand mei (voorspel, ademt, bestaan, akker, nauwelijks, oud dorp, bestaan) Eind augustus ontstond 'stiller' en begin september 'schrijven'.

Dit is de tweede cyclus liederen op gedichten van de door mij bewonderde dichter Leo Herberghs, Zij zijn allen genomen uit de bundel 'Heilig Weer' (1978). Eerder (2007) schreef ik uit dezelfde dichtbundel de liedcyclus 'Heilig Weer' eveneens zeven liederen voor stem en piano (opus 43).

Het tweede lied 'adem' is als lied met vier variaties verwerkt in mijn op. 58 nr.1; een werk voor piano quatre-mains (2002).






55. Strijkkwartet nr. III

Eendelig: halve=40/kwart=80. Tijdsduur: 13'. Voltooid: 15/04/2003.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk werd geschreven eind maart begin april 2001 en pas voltooid in maart 2003.

Oorspronkelijk was dit met wat later strijkkwartet IV en V is geworden, geconcipieerd als één werk met drie delen. Omdat ik vreesde dat dit te veel (met name te lang!) zou zijn voor de luisteraar –ieder deel vergt veel aandacht- heb ik het lang laten liggen. Ik wist me er geen raad mee.

Toen kwam in 2003 het idee dit kwartet op te splitsen in drie zelfstandige werken Dat verklaart mede de lange tijd tussen de eerste componeerperiode (2001) en de data van voltooiing van deze werken.

De compositie wordt sterk bepaald door het ritme dat –op enkele melodische fragmenten na- overheersend in de compositie aanwezig is. Het geeft het geheel een grillig (capriccioso) karakter.






56. Strijkkwartet nr. IV

Eendelig: kwart=120. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 16/03/2003.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk werd geschreven eind april begin mei 2001 en pas voltooid in april 2003.

Een driedelig begin (A) wordt ontwikkeld (B) hierna volgt een variatie van deze ontwikkeling (B') Na een kort gedeelte uit A volgt een tweede variatie op B (B’’). Dan volgt een geheel nieuwe ontwikkeling (C) die elementen van A en B in zich draagt. En vervolgens een ontwikkeling (D) die elementen van A en C in verwerkt.

A  
B (uit A)
B' (eerste variatie van B)
(iets uit A)  
B" (tweede variatie over B)
C (uit A en B)
D (uit A en C)





57. Strijkkwartet nr. V

Eendelig: kwart=100. Tijdsduur: 09'. Voltooid: 26/02/2003.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk werd geschreven in april mei 2001 en pas voltooid in februari 2003.

Het bestaat uit drie gedeelten, een A (scherzo) dat wordt gevolgd door een B (trio) waarna een gevarieerde herhaling van A volgt. Het A gedeelte bestaat op zijn beurt weer uit vier contrasterende delen 1,2,3,4. Het middendeel (B) bestaat uit drie contrasterende delen 5,6,7. De herhaling van A gebeurt zo dat de delen in achterwaartse volgorde zijn geplaatst 4,3,2,1. Hierna volgt een korte afsluiting.






58. pour quatre mains...

Voor piano-vierhandig. Tijdsduur: 14'. Voltooid: 08/03/2006.

Delen:
  1. kwart=108
  2. kwart=80
  3. kwart=152

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Geschreven werd het werk in de maanden september/oktober 2001. Daarna bleef het in deze vorm liggen tot januari 2006 toen ik mij ertoe aanzette deze compositie opnieuw ter hand te nemen. Uiteindelijk werd het in maart van dat jaar voltooid.

Het eerste deel is een instrumentale zetting van het lied 'ademt de wereld zich leeg’ (op. 54 nr 1) gevolgd door vier variaties.

Het tweede deel is een ontwikkeling naar een afsluiting. Na twee maten inleiding klinkt een melodie (10 maten). Deze wordt –na drie maten tussenspel- gevarieerd herhaald in een ander register met de intervallen in tegenrichting van het gegeven. Vervolgens wordt zij in haar eerste gedaante herhaald. Nu volgt een stelselmatige verkorting van dit melodisch gegeven; eerst naar zes dan na vijf dan na vier, na drie en –na een maat tussenspel- naar twee maten. Dan sluit het stuk in drie maten.

Het derde deel bwgint met een eerste gegeven met twee variaties (A A’ A’’), dan volgt een B met een variatie (B B’) en vervolgens een derde variatie op het eerste gegeven (A’’’), dan een tweede variatie op het tweede gegeven (B’’) en vervolgens een afsluitend deel (C).






59. Iridium

(Lat.): van Iris, god van de regenboog, ook: steen met vele kleuren.

Voor fluit, klarinet, gitaar, slagwerk, viool, violoncello en piano. Tijdsduur: 10'. Voltooid: 13/03/2002.

Delen:
  1. Agitato/Calmo/Robusto
  2. kwart=92

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Deel II werd geschreven in november 2001 en deel I in december 2001/januari 2002. Het werd pas geïnstrumenteerd in februari/maart 2003.

Het eerste deel verenigt drie karakters, dat van een toccata (snel, onrustig deel) een recitatief (quasi gesproken) en een koraal (langzame melodie in overwegend gelijke notenwaarden):

A agitato: toccata
B calmo : quasi reciterend
C robusto koraal
(iets uit A)  
B' (variatie over B)
C (uit A en B)
D (uit A en C)

Het tweede deel is geschreven in een (tweestemmige) fuga techniek.

Expositie met twee inzetten

Tussenspel

Re-expositie met twee inzetten in dezelfde stem

Tussenspel

Re-expositie met één inzet

Tussenspel

Re-expositie met één inzet

Afsluiting na cadens.







60. Doe, Paredies

Gedichten: Jac. Schreurs; voor stem(S) 2fl 2hob 2kl 2fag 2hrn 2trp 2trb tb perc str. Tijdsduur: 11'. Voltooid: 28/01/2003

Delen:
  1. Hert van mie volk
  2. Doe, paredies

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De redacteuren Hans op de Coul, Ben van Melick en Inge Sijben van L1 besteedden in 1999 een serie programma's (“Maar er is meer….Poëzie van Limburg in de twintigste eeuw') aan Limburgse schrijvers

Daar kwam een publicatie uit voort en in 2001 of 2002 las ik in dat boek dat de dichter-priester Jac. Schreurs (1893-1995) gedichten in Limburgs dialect had geschreven. Er werden een aantal afgedrukt: ik werd er onmiddellijk door getroffen.

De liederen werden geschreven in augustus 2002, geïnstrumenteerd in augustus/september 2002 en vonden hun definitieve vorm in januari 2003.

Overigens heb ik de teksten vertaald naar het Nederlands, zodat ze ook door niet-dialect sprekende zangeressen kunnen worden uitgevoerd.


Hert van mie volk
Ewig geit diene geis door 't wèze der dinge
es de windj door 't reet.
Alle dinge zinge dien leed.

Doe steis in 't hert van dit heelal,
heilig, groët en gepreze.
Totdet de hemele bevreze 
en de loch stoljt tot ies rond dien weze.
 
Doe, paradies
Ingele höbbe dich sjlaope gevonge
onger ein boum.
Bang höb ich dien sjoereem ontbonge.
 
In miene draum bis doe de sjeeper
dae, auwt en vermeujd,
ingele en wolke en hemele heujd.
 
Onger de bleike plataan zaog ich dich staon, Heer.
Doe haest stevele aan, 
en op de leup van dien geweer 
waore blome gestaoke.
 
Doe höbs brood veur diene hond gebroke,
en dien wei-tès rook nao appele en wien
 
es doe heives gongs,
door de sjien der zon, 
en rondom op de dörpe de ingele aan de klokke 
en de hunj aan de kettinge trokke.
 
De zon krimp es ein spin inein,
  liëger en liëger.
 Alles is sjtil en es sjtein. 
 
Doe allein geis es eine jaeger 
door 't laat greun van den herfst





61. in utramque partem   

(Lat.): in beide richtingen.

Voor gitaar. Tijdsduur: 08'. Voltooid 07/01/2003.

Delen:
  1. kwart=100
  2. kwart=60
  3. kwart=100

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De drie delen, geschreven eind november begin december 2002, gaan zonder concertpauze in elkaar over, de drie delen werken daardoor als een geheel.

Ik werd geïnspireerd door de voortreffelijke gitaarklas in het Conservatorium Maastricht. Tijdens de vele examens die ik daar mocht voorzitten maakten de studenten van Carlo Marchione een grote indruk op mij en die zette mij ertoe aan mij in de mogelijkheden van de gitaar te verdiepen. De eerste toepassing was in een werk voor kamermuziek (Iridium 2002).

In utramque is mijn eerste werk voor gitaar solo.






62. ... voor twee violen

Eendelig: kwart = 60. Voltooid: 30/09 2003, revisie: 16/02/2005.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit duo werd geschreven eind augustus begin september 2003 en was voltooid eind september 2003. In januari/februari 2005 onderging het werk een grondige revisie.

De compositie is melodisch gebaseerd op een zich uitbreidende groep van twee naar zes noten. Iedere groep bestaat uit een beweging stijgend en dezelfde afstanden dalend, dit resulteert in zes groepen van twee bewegingen. Dit idee beheerst het werk.

De eerste groep brengt de intervallen eerst in viool 1 (viool 2 begeleidt) dan in viool 2 (viool 1 begeleidt) en nog eens viool 1 (viool 2 begeleidt) dan in viool 2 (viool 1 begeleidt). Dan hebben beide violen vier keer de intervalopeenvolging echter in verschillend transposities. Het werk sluit met de opeenvolging in viool 1 (viool 2 begeleidt).
Dit resulteert in de structuur:
A (vier keer de opeenvolging in één instrument)
B (vier keer de opeenvolging in beide instrumenten tegelijkertijd)
Afsluiting (een keer de opeenvolging in viool 1, met herhalingen en omspelingen in de viool2 )






63. XVI korte pianostukken

Voor piano. Tijdsduur: 14'. Voltooid: 19/04 2004.

Delen:
  1. Calmo
  2. Wild
  3. Espressivo
  4. Agitato
  5. -
  6. In ritmo feroce
  7. Espressivo molto
  8. Espressivo molto
  9. Largo
  10. -
  11. -
  12. -
  13. -
  14. Espressivo molto
  15. -
  16. Calmo

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De stukken werden geschreven in de maanden oktober/november 2003. In 2004 vonden ze in hun definitieve vorm.






64. ...qua talis

(Lat.): op de wijze van.

Voor hoorn en piano. Eendelig: kwart = 100. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 28/08/2004.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk werd geschreven eind mei begin juni en voltooid in augustus.

Het bestaat uit vijf delen Na een eerste deel (A) en een overgang (B) een driedelige groep: C, D en een variatie van C.

In het A deel is de hoorn een secundaire laag, in de overgang (B) groeit zijn muzikale betekenis om in C de hoofdstem te worden, zich in D zo te verzelfstandigen dat hij zich losmaakt van de tel-tijd (tijdsinschatting van het ritme), de tel als hoofdstem terugneemt in D om vervolgens langzaam als hoofd-laag uit te doven.






65. In plano

(Lat.): op gelijk niveau.

Voor hobo en piano. Tijdsduur: 08'. Voltooid: 01/12/2004.

Eendelig. Geschreven op verzoek voor Part Partouns.

Eerste uitvoering: 27 VI 2005, Maastricht, Bart Partouns (hobo) en Peter Soeters (pf)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het moet in het midden van 2004 zijn geweest dat Bart Partouns naar mij toe kwam om te vragen of ik ooit iets voor hobo had geschreven. Dat was niet zo. Ik werkte op dat moment aan geheel iets anders.

Begin oktober gebeurde het dat iets uit mijn potlood kwam dat voor hobo heel geschikt zou zijn en voor ik het wist liet ik het andere werk liggen en bleek te zijn begonnen aan een werk voor hobo en piano. De eerste schetsen zijn gedateerd op 3 oktober, de laatste op 11 november 2004. Daarna volgt een periode van uitwerken en verfijnen: de slotdatum is 1 december.

Ondertussen was ook een andere leerling van de Peter Steijvers, bij me gekomen met dezelfde vraag als Bart. Hulde aan deze hoofdvakleraar hobo, die zijn leerlingen stimuleert contact met componisten aan te gaan en hen te stimuleren werk te schrijven of te onderzoeken of al geschreven werk kan worden uitgevoerd en vervolgens dat dan ook doen!

In plano betekent; op gelijk niveau. Deze titel heb ik gekozen om aan te geven dat piano en hobo beiden gelijkwaardig deel uitmaken van de compositie; er is geen sprake van gelaagdheid in de vorm van een eenduidige hoofdstem en een begeleiding. Hier of daar kan de ene stem kortdurend de andere ondersteunen; in hoofdzaak zijn beiden even belangrijk.






66. IX Stukken voor Kamerorkest

Voor fluit, hobo, klarinet, fagot, 2 hoorns, trompet, trombone, 2 slagwerkers, strijkers (8. 6. 4. 3. 2). Tijdsduur: 12'. Gecomponeerd/Voltooid: 26/10/2005.

Delen:
  1. kwart = 60
  2. kwart = 60
  3. kwart = 120
  4. kwart = 120
  5. kwart = 60
  6. kwart = 120
  7. kwart = 60
  8. kwart = 60
  9. kwart = 60

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De compositie is begonnen in 2004, tussen maart en begin mei werden de delen voltooid in particel (een versie op enige balken met summiere instrumenten-aanduiding) De instrumentatie gebeurde een jaar later, tussen eind juni en eind oktober 2005.

De negen delen zijn geordend in drie groepen van drie stukken. De delen I, II, en III keren terug als VII (is III in een ander tempo), VIII (is variatie van II), en IX (is I van achter naar voren in een ander tempo). De middengroep is eveneens symmetrisch: IV en VI zijn op elkaar gebaseerd zodat V als een middendeel van deze groep (en van het hele werk) functioneert.

Op basis van deze opzet is te zeggen dat de delen I, II,III en IV na deel V in de achteruit terugkeren naar het begindeel VI =IV, VII=III, VII=II en IX=I.






67. Textuur voor Strijkkwintet

Voor 2 violen, altviool, 2 violoncelli. Tijdsduur: 20'. Voltooid: 09/04/2005.

Eendelig, kwart = 80.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Een ervaren kamermusicus vertelde mij dat er slechts weinig strijkkwintetten zijn met twee violoncello's. Dat bracht mij op een idee. Textuur werd geschreven in de maanden december 2004 en februari 2005. De uiteindelijke versie was er in de maand mei.

Dit kwintet is eendelig en bestaat uit vijf onderdelen met een coda. Het eerste deel (A) wordt in het tweede (B) ontwikkeld, het derde (C) is een ontwikkeling van B (en daarmee indirect van A), het vierde (D) is een contrasterend deel (nieuw materiaal) en het vijfde deel (E) is een ontwikkeling uit D. Een coda (afsluitende deel) besluit het werk.






68. Fantasie over XII Nederlandse Volksliederen

Voor piano. Tijdsduur: 16'. Voltooid: 21/12 2005.

Delen:
  1. Daar was een sneeuwwit vogeltje
  2. Drie schuintambours
  3. De krepelaar ging wand 'len
  4. Maria die zoude naar Bethlehem gaan
  5. Het daghet in den oosten
  6. Ik wil mij gaan vertroosten
  7. Al van den drogen haring
  8. Daar was laatst een meisje loos
  9. Hoe leit dit kindeke
  10. Wel Anne Marieke waar gaat gij naar toe
  11. Allen die willen naar Island gaan
  12. En er was ereis een vrouw

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

In mijn lagere schooltijd bestond het vak muziek uitsluitend uit het zingen van volksliederen, of dat wat daarvoor werd aangezien. Zo heb ik een groot repertoire geleerd. Het zijn mijn eerste ervaringen met muziek uitvoeren en beleven.

De fantasie werd geschreven in juli 2005.

De volksliederen zijn als in een grote fantasie bewerkt en zijn voorzien van voor- en tussenspelen. De liederen worden niet altijd letterlijk geciteerd. Ze zijn bewerkt: veelal worden fragmenten weggelaten die de herkenningsstroom onderbreken (als die er al is) en de aandacht vestigen op momenten waarop het lied weer wordt hernomen.

Het opus 69b is een versie met de opeenvolging van de bewerkte liederen zonder inleidende, verbindende, afsluitende gedeelten.






69. beurtelings...

Voor fluit, gitaar, violoncello en harp. Tijdsduur: 15'. Voltooid: 18/10/2007.

Eendelig, kwart = 80.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk kent een lange ontstaansgeschiedenis met veel onderbrekingen. Begonnen in 2003, voortgezet in 2006 werd het in 2007 afgesloten.

De titel verwijst naar de solistische behandeling die ieder instrument te beurt valt in de volgorde cello, gitaar, fluit, harp. Wanneer dit instrument solieert vormen de anderen een ondersteunende laag. Deze concerterende gedeelten worden voorafgegaan door een inleiding, onderbroken (na de solo van respectievelijk cello, gitaar en harp) door tussenspelen en (na de fluit-solo) afgesloten met een naspel.






70. Tu es Petrus

Uurwerkmuziek voor carillon. Tijdsduur: 02'. Voltooid: 22/08/2006.

Geschreven in Opdracht van de Provincie Limburg voor een Carillonproject voor het carillon van de St. Petruskerk, Sittard.

Eerste uitvoering: september 2007, Sittard, Mechanische reproductie.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk is geschreven en gericht op de omvang van het carillon van de St. Petruskerk te Sittard.

Om een koppeling met deze kerk te maken koos ik ervoor de Communio (het gezang tijdens de heilige communie uit de RK mis, in de gregoriaanse versie horend bij het feest van de HH apostelen Petrus en Paulus dat op 29 juni gevierd wordt) in het werk op te nemen. Van dit gezang zijn de eerste noten op de tekst 'Tu es Petrus' (Jij bent Petrus) in de muziek van het hele uur verwerkt. Deze melodie dient als basis voor deze muziek en wordt, al een eeuwenoude techniek, in lange notenwaarden in de bas van het werk gelegd: een zogenaamde cantus firmus (vast gezang).

De muziekjes behorend bij het eerste kwartier, halve uur en derde kwartier zijn van dit hele uur afgeleid: het eerste kwartier van het eind-, het halve uur van het midden-, en het derde kwartier van het begin van de hele uur versie.






71. Fünf Lieder für Singstimme und kleines Ensemble

Gedichten van Petra Maria Amrhein; voor stem, klarinet, fagot, 1 slagwerker, altviool, violoncello, contrabas. Tijdsduur: 21'. Voltooid: 20/06/2007.

Delen:
  1. Vorweihnacht
  2. Verlorenes Gefecht
  3. Oktober 99
  4. Konditionen
  5. Archaischer Torso

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Dit werk is een instrumentatie van eerder gecomponeerde liederen voor stem en piano, die oorspronkelijk werden geschreven in respectievelijk 2002,2003,2004,2006 en 2007 als verjaardagsgeschenk aan de dichteres.






72. Ex Morbo assurgere

(Lat.): uit de doden opgestaan

Voor 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns, contrabas. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 15/01/2008.

Geschreven in Opdracht van de Provincie Limburg.

Eerste uitvoering: Wahwiller (L), Ensemble Helicon o.l.v. Björn Bus

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Geschreven als bijdrage in de Wahlwiller Passie (gewijd aan de kunstenaar Ad de Haas op tekstbijdragen van G. Setola) een project van de Stichting Limburgse Componisten.

Na een korte inleiding volgt een Marcia I, na een intermezzo in een iets rustiger tempo volgt de Marcia II, een kort snel deel besluit het werk.






73. Stotterend Kind

Gedicht van Ronny Someck; voor zangstem, klarinet, violoncello. Tijdsduur: 12'. Voltooid: 24/04/2008.

In opdracht van de Poetry Nights Maastricht 2008.

Eerste uitvoering: Maastricht, 20 X 2008, Regula Boeninger (mezzo sopraan), Wolfgang Güden (kl.), Julius Stenzel (vlc), in aanwezigheid van de dichter.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het gedicht 'Stotterend kind' is genomen uit de bundel 'Blues van de derde zoen', gedichten vertaald door Hilde Pach, (Maastricht, Azul press 2010). Het is de aangrijpende terugblik van een stotterend kind op zijn jeugdjaren, de steun die hij kreeg van een leerkracht ('…vertelde dat Moses ook stotterde') en een onuitgesproken (!) verliefdheid.

Het werk is geschreven als lied met uitgebreide instrumentale tussenspelen waarin de melodieën van de gezongen gedeelten zijn opgenomen:

I voorspel (uit B en C)

A eerste tekstdeel

II tussenspel (uit C)

B tweede tekstdeel

III tussenspel (uit A)

C derde tekstdeel

IV tussenspel (herhaling C)

D vierde tekstdeel

V naspel (verkorte versie van D)







74. Sextett

Voor fluit, hobo, klarinet, hoorn, fagot, piano. Tijdsduur: 15'. Voltooid: 09/12/2008.

Delen:
  1. kwart = 100
  2. kwart = 60/kwart = 120
  3. kwart = 120

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Aanleiding voor de compositie van het werk was een concert met het Sextet van J.N. Hummel, een werk dat mij tijdens de uitvoering zeer aansprak en mij op het idee bracht voor deze bezetting te schrijven.

De delen werden geschetst in de maanden augustus (II), augustus september (I) en oktober (III). Onmiddellijk daarna werd met de uitwerking begonnen, die in december voltooid werd.

Het basisidee van dit werk is bezetting met structuur te verbinden. Een inventarisatie toonde aan dat met deze bezetting 15 duetten, 20 trio's, 10 kwartetten, 6 kwintetten en een sextet te vormen zijn. Deze bezettingsvormen werden verdeeld over de drie delen.

Deel I: is een thema met zes variaties en bestaat uitsluitend uit kwartetten. Ofschoon alle instrumenten aan de uitvoering meewerken worden er nooit meer dan vier gelijktijdig ingezet. Zo bestaat deel II uitsluitend uit duetten. Deel drie bestaat uit trio's, kwintetten en een sextet (slot). Dit einde is de enige keer dat de zes instrumenten gelijktijdig hoorbaar zijn.

Deel II: Dit deel bestaat uitsluitend uit duetten en heeft een structuur waarin een ostinaten (gelijkblijvende figuur; zij het hier in wisselende registers) worden onderbroken en herhaald.

A : piano (ostinaat 1)/fagot)

B: onderbreking: fluit/hobo

A': piano/hoorn, hoorn/fagot (ostinaat 2)

C: fluit/hobo

A'': piano(ostinaat 1)/klarinet, klarinet/fagot (ostinaat 2), klarinet/hoorn (ostinaat 3)

D fluit/hoorn

A''': piano (ostinaat 1)/hobo, hobofagot (ostinaat 1)/, hobo (ostinaat 2)//hoorn, hobo/klarinet (ostinaat 3)

E fluit/fagot

A'''': piano (ostinaat 1)/fluit.

Te zien is ook dat de A gedeelten steeds langer worden, de onderbrekingen blijven kort.


In deel III is dit idee van wisselende bezettingen (in tegenstelling tot de gelijkblijvende bezettingen –kwartetten en duo’s- van de eerste twee delen) uitgewerkt in een driedelige structuur:

A A’ A’’ A’’’

C D(uit C) E(uit C) C’’

B(uitA’) Var.over A’’ B’’ B’’’(uit A’’)

Coda


Binnen deze structuur zijn de bezettingen ingezet als:

A: 4 trio’s A’: 3 trio’s A’: 2 trio’s A’’’: 1 trio

C: 2 kwintetten D(uit C) E(uit C): 2 kwintetten C’: 2 kwintetten

B(uitA’): 3 trio’s Var.over A’’: 3 trio’s B’’: 3 trio’s B’’’(uit A’’): 3 trio’s

Coda: sextet

Ter ondersteuning van de bezetting helpt een transpositieschema dat uit een opeenvolging van vier hele tonen, vier tertsen en weer vier hele tonen bestaat en loopt van as tot as:

A (as), A’ (bes), A’’ (c), A’’’ (d), C (f)

D(uit C) (as), E(uit C) (as), C’’ (b), B(uit A’) (d)

Var.over A’’ (e), B’’ (fis), B’’’(uit A’’) (as), Coda (as)

>




75. Grande Sonate

Voor piano. Tijdsduur: 36'. Voltooid: 11/05/2009.

Delen:
  1. kwart = 84
  2. kwart = 160
  3. Ruhevoll kwart = 60
  4. kwart = 140

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het idee was een werk voor piano solo te schrijven met een tijdsduur van 45 minuten, uiteindelijk zijn het er 36 geworden, Niettemin: een vrijwel geheel programmadeel –voor of na de pauze - in beslag nemend werk. Ik realiseer me dat daarmee de uitvoeringskansen aanzienlijk worden verkleind. Het vereist moed het publiek een werk van deze lengte van een zelfde componist aan te bieden; zeker in een, voor de meeste leden van dit publiek, ongebruikelijke stijl.

Wat mij dreef was de behoefte een werk met lange structuren te schrijven. Toen ik mijn werk tot hiertoe overzag viel mij op dat ik vooral korte delen had geschapen. Het schrijven van lange composities vereist een techniek die ik blijkbaar tot dan toe nog maar weinig had toegepast. Ik bestudeerde Schubert, berucht om zijn lange composities, en ging aan de slag.

Het werk aan deze compositie werd begonnen in september 2006. De schetsen van de drie eerste delen waren voltooid op 8 november (I), 10 november (II), 28 november (III) en een eerste aanzet van het laatste deel (30 maten) op 14 december.

Hierna lag het werk stil en werd onderbroken door de composities van Ex Morbo assurge en Stotterend Kind.

Pas in mei 2008 werd de compositie van het vierde deel hervat, dat werd voltooid in juni. Opnieuw werd het werk onderbroken door een andere compositie: het Sextett, Deze compositie werd voltooid in december 2008.

Hierna werden in januari 2009 de delen van de sonate afzonderlijk opnieuw bezien. Eerst werd het laatste deel tot in detail doorgewerkt tot uiteindelijk op 19 maart 2009 een versie voorlag die als volledig uitgewerkt kon worden beschouwd. Deel twee volgde en was voltooid op 25 maart. Deel drie vergde iets meer werk en werd als voltooid beschouwd op 23 april en tenslotte deel 1 op 11 mei.

Zo lagen er ruim twee en een half jaar tussen begin en voltooiing van het werk.






76. Tweebast

(bast van amandelwilg, die uit twee lagen bestaat)

Eendelig: kwart = 80/kwart = 168.

Voor altsaxofoon en piano. Tijdsduur: 16'. Voltooid: 03/02/2010.

Op verzoek van Xavier Scheepers, opgedragen aan Xavier Scheepers en Robert Weirauch.

Eerste uitvoering: Maastricht, 27 I 2012, Xavier Scheepers(sax) en Robert Weirauch (pf)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De titel van tweebast (bast van amandelwilg, die uit twee lagen bestaat) geeft aan hoezeer in dit werk saxofoon en piano met elkaar zijn verbonden in twee in elkaar grijpende lagen.

Na een langzame inleiding (1-18) volgt een presto dat de structuur van een sonate heeft: expositie (19-204) verwerking (205-368) re-expositie 369-636).

Hiermee wilde ik een werk schrijven de Eendelig is en inderdaad uit één deel bestaat en niet uit in elkaar overvloeiende afzonderlijke delen. Het is dan zaak de luisteraar de gelegenheid te geven naar de muziek te blijven luisteren zonder zodanig te vermoeien dat de luisteraar afhaakt, wat bij een lang –en ingewikkeld- stuk al te gemakkelijk kan gebeuren.

De muziek moet om beurten aandacht vragend en minder aandacht vragend zijn, dat is de voorwaarde om de toehoorder in staat te stellen de muzikale voortgang van het werk te volgen en dat is wat in dit werk wordt nagestreefd.






77. Cephise

Variaties over een melodie uit het Speelmansboek uit Maastricht, blz 142: Cephise

Voor fluit, altsaxofoon, slagwerk, 2 violen, altviool en violoncello. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 14/04/2010.

Geschreven in opdracht van de Provincie Limburg.

Eerste uitvoering: Maastricht, 17/10/2010, ensemble olv Arno Dieteren.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk is geschreven als bijdrage aan het project Klinkend Changement van de Stichting Limburgse Componisten.

De compositie bestaat uit vijf variaties over de gegeven melodie. Het was nadrukkelijk de opdracht het ensemble, in een gegeven volgorde, van tutti te reduceren tot viool solo.

In de eerste variatie –voor het gehele ensemble- wordt het thema (de melodie) uitsluitend in de cello gespeeld; echter zo dat na één maat er twee gepauzeerd (weggelaten) worden. De volgorde wordt zo: maat 1, twee maten pauze (is maat twee en drie van het lied), maat 4, twee maten pauze (is maat vijf en zes van het lied) etc. Na drie keer het thema te hebben herhaald zijn alle maten één keer gespeeld en daarmee de melodie, zij het voortdurend onderbroken, in zijn geheel.

De volgende variatie is een kwartet voor fluit, altsaxofoon, viool 1 en violoncello. De gegeven melodie blijkt te bestaat uit negen fragmenten. Deze fragmenten zijn als canon tussen fluit en saxofoon gezet, zij het dat alle noten die stijgen in de fluit, in dezelfde afstand dalen in de saxofoon en omgekeerd. Voor de liefhebbers: een canon in tegenbeweging (voor de kenners: canon a due voci per moto contrario in tritonus per augmentationem).

Wat het herkennen wellicht bemoeilijkt is dat de noten niet in de oorspronkelijke positie van de melodie zijn geplaatst, maar sommige een octaaf hoger en andere weer een octaaf lager. (Stel u zingt een melodie, merkt dat die te hoog wordt en u springt als vanzelf naar een ander register en zingt daar verder: deze sprong is een octaaf).

De cello speelt, naast een tweede laag met de viool, ook geoctaveerde fragmenten van de oorspronkelijke melodie.

De derde variatie is een trio voor fluit saxofoon en viool. De melodie wordt sterk gefragmenteerd (er worden noten weggelaten) met octaafverplaatsingen en sommige delen van de negen fragmenten op een getransponeerde hoogte gespeeld door de viool.

De vierde variatie is een duo voor fluit en viool: de melodie wordt op de al eerder toegepaste wijze over de registers verdeeld en afwisselend gespeeld door de twee instrumenten. Deze variatie is solistisch door de vele temposchommelingen en stilstanden.

De vijfde variatie is voor viool solo: de negen fragmenten hebben ieder hun eigen toon (volgens een negentonige verdeling van het octaaf) en de melodie wordt moeilijk herkenbaar door de octaveringen van de oorspronkelijk gegeven registerplaatsing. Deze variatie is zeer solistisch door de voortdurende temposchommelingen en stilstanden..

Deze structuur is voor de luisteraar gemakkelijk te volgen door de bezetting en doordat iedere variatie wordt afgesloten met een fragment voor één instrument.






78. Forum

Gedicht: Frans Budé. Voor zangstem, 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns. Tijdsduur: 06'. Voltooid: 16/06/2010.

Op verzoek van het ensemble Helicon.

Eendelig, kwart = 80.

Eerste uitvoering: Maastricht, 26/10/2010, Fenna Ograjensek (zang), ensemble Helicon o.l.v. Björn Bus. In aanwezigheid van de dichter.

Te verkrijgen via auteur.

Opname Forum op Maastrichtse componisten en dichters, 2010 © L1.

Werkbespreking:

De titel van het gedicht van Frans Budé is gerelateerd aan de grote, bronzen sculpturen geplaatst op het plein Forum (bij het MECC) in Maastricht.

De zangstem sluit nauw aan bij het ritme en de accentuering van de woorden uit het gedicht. Het verheugde mij dat de dichter zeer met dit werk was ingenomen.






79. blind op reis

Gedicht: Breyten Breytenbach. Voor stem, viool, violoncello. Tijdsduur: 05'. Voltooid: 25/08/2010.

Geschreven in opdracht van de Poetry Nights Maastricht 2010.

Eerste uitvoering: Maastricht, 29/10/2010, Lajla Sarian (sopr.), Paulina Tarnawska (viool), Paul Stavridis (violoncello). In aanwezigheid van de dichter.

Te verkrijgen via auteur.

Opname CD Blind op Reis, 2010 © Azul Press.

Werkbespreking:

Het gedicht 'blind op reis' is opgenomen in een bundel met een Nederlandse vertaling naast de oorspronkelijk Zuid-Afrikaanse tekst (Breyten Breytenbach: De Windvanger, 2007, Het Podium Amsterdam).

Met alle respect voor de vertaling heb ik er voor gekozen het gedicht in het Zuid-Afrikaans te toonzetten. Een hachelijke onderneming; want waar worden accenten geplaatst, wat wordt lang of kort uitgesproken en zo verder? De dichter Hans van de Waarsenburg raadde mij deze keuze sterk af.

Ik heb toch voor de Zuid-Afrikaanse versie gekozen, deels intuïtief, deels omdat het ritme van het gedicht mij een leidraad gaf.

Blij was ik van Breytenbach zelf te horen dat hij zeer was ingenomen met de tekstbehandeling.






80. Tripes

(Lat.): met drie poten

Voor 3 gitaren. Tijdsduur: 03'. Voltooid: 21/10/2010.

Eendelig: kwart = 92

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk verlangt van de spelers de vingers (wijs-,middel-,ringvinger-,pink) te plaatsen op de eerste vier fretten van de gitaar ongeacht de snaar.

Het bestaat uit twee gegevens (zinnen). Nadat die zijn geponeerd wordt het eerste en dan het tweede gegeven ontwikkeld waarna een kort slot volgt.






81. Iteratio

(Lat.): herhaling

Voor orgel. Tijdsduur: 10'. Voltooid: 30/12/2010.

Eendelig.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk is een passacaglia waarbij de herhalingen van het gegeven in een serie karaktervariaties wordt uitgewerkt.

Het passacaglia thema bestaat uit een vaststaand melodisch en ritmisch patroon. De duur van de noten kan in klank en/of in rusten worden weergegeven: echter het moment van hoogtewisseling blijft gehandhaafd.

Achtereenvolgens:
A -thema (Es*) verdeeld over registers
  -thema (A) als melodische hoofdstem
  -thema (E)in bas en in middenregister in tegenbeweging en tegentijd (canon)
B -thema(E) in vergroting 1:2 met als bovenlaag een canon in tritonus, tegentijd en tegenbeweging
  -thema(BES) in vergroting1:1.5 met als bovenlaag een canon in tritonus eerst in rectus dan in tegenbeweging
  -thema(F) in oorspronkelijke ritme met als bovenlaag een canon in tegenbeweging over de melos van het thema
C -thema verwerkt als toccata: de verschillende lagen zijn melodisch uit het thema afgeleid: tweestemmig G,T in F/FIS, vervolgens driestemmig T,TK,K in BES/FIS/G vervolgens vierstemmig G,T,TK,K in DES/D/BES/B)
D -thema als fuga: expositie (F/C/C/F) met een re-expositie (B) waarin een totale karakterverandering, thema in bovenstem met vrij contrapunt en na een kort divertimento een tweede re-expositie (stretto in tegenbeweging rectus/tegentijd)(E)
C -herhaling toccata, waarbij noten geoctaveerd zijn, met gefragmenteerde legato-positionering van de verschillende lagen: tweestemmig G,T in E/F, vervolgens driestemmig T,TK,K in B/G/AS vervolgens vierstemmig G,T,TK,K in ES/E/C/Des)
*hier en altijd transpositietoon van het gegeven

Met deze technische analyse is, zij het beperkt, het rationele deel van het compositieproces proces te reconstrueren, feitelijk hoort dit op mijn werktafel thuis, wat mijn werkkamer verlaat is enkel van belang als muziek...






82. ...et altera pars

(Lat.): ook de andere partij

Voor 4 trombones. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 17/02/2011.

Eendelig.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De titel is een afkorting van de spreuk 'audiatur et altera pars' (Latijn: ook de andere partij worde gehoord): dit geeft aan dat de vier partijen in dit werk gelijkwaardig worden behandeld.

De compositie begint met de zeven maten durende ontwikkeling van een gechromatiseerde grote secunde (A). Er volgt een vrije herhaling met afsluiting(8-19). In maat 20 wordt een imiterend deel (B) begonnen: het gegeven (een gechromatiseerde kwart), de tegenbeweging daarvan; beide worden gevarieerd herhaald in de twee andere stemmen, daarop volgt een kleine ontwikkeling en afsluiting (29-35). Deze twee delen worden besloten met een akkoordopeenvolging (C) afgeleid uit het gegeven en de tegenbeweging van B.

Er volgt een verkorte en gevarieerde herhaling van de vorige drie gedeelten A.B.C.

In maat 97 wordt een nieuw gegeven voorgesteld(D) dat vervolgens wordt gevarieerd en na een tussenspel (131-135) een tweede keer wordt gevarieerd.

Met een herhaling van C als korte afsluiting wordt het werk beëindigd.






83. Volucris

(Lat.): elk gevleugeld dier

Voor bes-klarinet, violoncello, contrabas, piano. Tijdsduur: 08'30". Voltooid: 21/10/2010.

Op verzoek voor het ensemble Simurg.

Eendelig.

Eerste uitvoering: Maastricht, 04/11/2011 door het Simurg ensemble (Wolfgang Güdden, klarinet; Stijn Saveniers, violoncello; Markus Kroll, contrabas; Robert Weirauch, piano).

Te verkrijgen via auteur.

Opname CD: Simurg Ensemble absences, ©2011 Simurg Ensemble.

Werkbespreking:

Volucris werd geschreven in de maanden februari-mei 2011 op verzoek van Robert Weirauch voor het Simurg ensemble.

De titel -Volucris (Lat.): elk gevleugeld dier- is een variant van de naam van dit ensemble waarin vogels een belangrijke rol spelen: 'simurg' is een fabeldier, half vogel, half zoogdier.

Het werk bestaat uit twee delen die zonder pauze in elkaar overgaan. Na een korte introductie volgt een gegeven dat onmiddellijk (gevarieerd) wordt herhaald en na een overgang ontwikkeld. Vervolgens vormt, na een afbouw, een korte cadens voor klarinet solo de verbinding met het tweede deel.

Dit deel bestaat uit een gegeven dat viermaal (gevarieerd) wordt herhaald. Goed te horen is dat in de eerste twee delen de hoofdstem volgens een vast patroon over de vier instrumenten is verdeeld. In de volgende twee variaties wordt deze hoofdstem weggelaten en worden de overgebleven muzikale lagen verzelfstandigd en ontwikkeld. Een korte afsluiting bevestigd het einde van het werk.

v




84. Quartet voor viool, klarinet, violoncello en piano

Tijdsduur: 14'30". Voltooid: (2010 en 2011) en 26 01 2012.

Delen:
  1. kwart = 116; 05'30"
  2. kwart = 120; 09'

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel bestaat uit de opeenvolging (zes keer) van steeds dezelfde melodisch ritmische volgorde (thema) dat in steeds wisselende gedaanten is geplaatst. Na iedere expositie staan er tussenspelen (ook zes) die de taak hebben iedere herhaalde inzet van het thema nieuw te laten zijn.

Het tweede deel is een structuur met twee hoofdgedachten die voorgesteld, verwerkt en herhaald worden.






85. Twint I

(gewestelijk): intussen, sinds die tijd

Voor 2 fluiten. Tijdsduur: 06'30". Voltooid: 15/09/2011.

Delen:
  1. kwart = 60
  2. kwart = 80

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Twint I en II (opus 86) zijn ontstaan uit een eerdere versie van een werk voor twee hobo's ('Drie stukken voor 2 hobo's) dat voor dit instrument te moeilijk bleek te zijn geschreven en daarmee als werk voor twee hobo's is verworpen.

Deel I van deze versie was oorspronkelijk deel II van de Drie Stukken. Het is een eenvoudig rondo: een zin (A) wordt gevolgd door een daarmee contrasterende zin (B) . Hierna volgt A waarbij de hoofdstem met een absolute waarde is vergroot. Vergrotingen zijn in de compositie geen zeldzaamheid, maar het zijn vaak evenredige vergrotingen, wat wil zeggen elke waarde wordt bijvoorbeeld dubbel zo lang. Hier is de waarde echter vaststaand, bijvoorbeeld elke duur wordt met een achtste vergroot ongeacht haar uitgangslengte (absolute vergroting). Hierna volgt A met de hoofdstem in een andere absolute vergroting. Dan weer B met de hoofdstem in weer een andere absolute vergroting en dan weer A (inderdaad met de hoofdstem en een andere absolute vergroting.

Deel II is het oorspronkelijk deel I van de Drie Stukken. Het is geheel gebaseerd op een melodisch drietonig motief (twee kleine secunden) dat in twee verschijningsvormen optreedt, de ene keer inderdaad drietonig binnen de stem, daarna –meer melodisch als een combinatie van twee drietooncombinaties.






86. Twint II

(gewestelijk): intussen, sinds die tijd

Voor klarinet en fagot. Tijdsduur: 04'. Voltooid: 15/09/2011.

Delen:
  1. kwart = 44
  2. kwart = 88

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Twint I (opus 85) en Twint II zijn ontstaan uit een eerdere versie van een werk voor twee hobo's ('Drie stukken voor 2 hobo's') dat voor dit instrument te moeilijk bleek te zijn geschreven en daarmee als werk voor twee hobo's is verworpen.

Het deel II van Twint II is het oorspronkelijk deel III van de drie Stukken.

Deel I voor dit werk gecomponeerd is een thema van 13 maten gevolgd door twee vrij variaties.

Deel II is in een ‘klassieke’ twaalfintervallen-reeks techniek geschreven. Het bestaat uit een spel van melodische bewegingen die in tegenrichting en achterstevoren gecombineerd met onderscheidenlijke ritmen in een duidelijke driedelige structuur (ABC).






87. Interim   

Voor hobo-solo. Tijdsduur: 06'. Voltooid: 18/04/2012.

Delen:
  1. kwart = 80
  2. kwart = 132

Op verzoek van Marc Schäferdiek

Interim versie voor hobo en violoncello (opus 87b): voltooid: 16/05/2012

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Marc Schäferdiek, hoboist, docent hoofdvak hobo aan het Conservatorium Maastricht vroeg mij een werk te schrijven voor hobo het werd een duo voor twee hobo's. Ik ging blijkbaar iets te voortvarend te werk want mijn eerste versies bleken onspeelbaar: te extreem in de registers, teveel noten in een adem, te snelle passages. Deze versies zijn terug te vinden in de op 86 en 85.

Ervaringen wijzer schreef ik een geheel nieuw werk.

De titel verwijst naar de Latijnse uitdrukking 'ad interim' wat 'in de tussentijd' of 'een tijdelijk waarneming' betekent. Zo ontstond dit werk: in de tussentijd van de verwerking van de eerdere versie naar een geheel andere, hiervan onafhankelijk compositie.

Het eerste deel is een eenvoudige driedelige vorm, na het eerste deel (11 maten) volgt een ontwikkelend middendeel waarna het eerste deel gevarieerde wordt herhaald.

Het tweede deel is een gegeven gevolgd door een reeks van zes vrije (ik noem het maar) variaties, afgesloten door zeven maten coda.

De term variaties is feitelijk onjuist: het zijn combinaties van variaties en ontwikkelingen die met elkaar worden gecombineerd. Bijvoorbeeld wordt de enen maat van het thema gevarieerd en vervolgens ontwikkeld waarna op de volgende maat van het thema wordt teruggegrepen dat dan ofwel meteen ontwikkeld ofwel gevarieerd en dan wel of niet ontwikkeld wordt.






88. Tussentijd

Voor viool en violoncello. Tijdsduur: 07'30". Voltooid: 24/05/2012.

Eendelig: kwart = 72

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

'Tussentijd' werd geschreven eind februari begin maart 2012 en kreeg in mei zijn definitieve vorm.

Het is een thema met vijf variaties. Na 13 maten inleiding klinkt het thema dat driedelig is (A-B-A met transposities). De variaties waarin de materiaalachtergrond dezelfde blijft, volgen deze structuur. Tussen de tweede en de derde variatie staat een kort (6 maten) tussenspel. Dan volgen variatie 3, 4 en 5 en wordt het geheel besloten met een naspel van 16 maten.






89. Waar ik viel

Gedicht: Menno Wigman. Voor stem, viool en violoncello. Tijdsduur: 07'. Voltooid: 25/07/2012.

Eendelig: kwart = 92

Geschreven in opdracht van de Poetry Nights Maastricht 2012.

Eerste uitvoering: Maastricht, 29/10/2012, Lajla Sarian (sopr.), Nina Prezwozniak (viool), Paul Stavridis (violoncello). In aanwezigheid van de dichter.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

'Waar ik viel' is een gedicht uit de bundel  'Mijn naam is legioen' (2012). Het is geschreven voor de uitvaart van een onbekende man die op 25 november 2010 schuin tegenover Amstel Centraal in het water werd gevonden. Zijn zwaar gehavend lichaam was hoogstwaarschijnlijk door een rondvaartboot geraakt.

De muziek volgt de structuur van de tekst. De stembehandeling stelt verstaanbaarheid van de tekst centraal. Viool en cello zijn voornamelijk de expressie van de zangstem steunend ingezet, met enkele zelfstandige gedeelten, met name in de korte tussenspelen.

Het verheugde mij dat de dichter zeer was ingenomen met deze compositie.






90. Scene uit: Scherz, Satire, Ironie und tiefer Bedeutung

Uit het Lustpspiel: Scherz, Satire, Ironie und tiefer Bedeutung (1827) van Christian Dietrich Grabbe (1801-1836)

Tijdsduur: 14'. Voltooid 16/07/2012, instrumentatie 04/04/2016.

Bezetting:
  • Schulmeister (tenor)
  • Tobies (bariton)
  • Gottliebchen (spreekstem)
  • fluit, bes-klarinet, viool, violoncello, piano.

Piano-uittreksel (opus 90b).

Werkbespreking:

Het betreft een compositie van de eerste scene van de eerste acte van het 'blijspel'. De teksten van Grabbe zijn zeer scherp in hun toonzetting. De schrijver toont een weinig verheffend beeld van de maatschappij van zijn tijd.

In de openingsscene zien we de –in zijn vak verbitterde- dorpsschoolmeester. Een rijke boer (Tobies) wilt hem zijn zoon (Gottliebchen) in de leer geven omdat de moeder van Tobias van mening is dat haar zoon de mogelijkheden heeft zich tot een briljant geleerde te ontwikkelen.

De Schulmeister zwicht voor de in het vooruitzicht gestelde beloning en neemt Gottliebchen –tegen beter weten is- aan als zijn leerling. Tobies is blij en vertrekt. De Schulmeister geeft Tobies –na een draai om zijn oren- gelijk zijn eerste les.

"Ik zal je zeggen, wat je …. moet doen om als genie te worden gezien: je moet ofwel zwijgen- dan denken ze, verdorie, hij heeft veel te verzwijgen, want hij zegt geen woord –of je moet gekke dingen zeggen, dan denken ze, verdorie, die moet wel iets diepzinnigs gezegd hebben, want wij, die normaal alles begrijpen, begrijpen hem niet……. Zeg eens, stom rund, wat hiervan wil je doen?." Gottliebchen; "Ich wills maul halten".






91. Passus

(Lat.): trede

Voor orgel. Tijdsduur: 11'. Gecomponeerd 2012/13, voltooid 23/01/2013.

Eendelig.

Eerste uitvoering: Noorbeek, 04/11/2011, Peter Verhoogt op het orgel van de St Brigida kerk.

Te verkrijgen via Stichting Orgelconcerten Noorbeek

Werkbespreking:

Passus werd geschreven in de herfst van 2012.Het werk was in feite voltooid begin december. Er zijn niet veel van mijn werken waaraan ik zoveel nazorg heb besteed als aan dit stuk. Kritisch luisteren, een kleinigheid veranderen en wéér kritisch luisteren: je leert van fouten, ook van de kleine en vooral van de goede fouten! Uiteindelijk is de nu bestaande vorm gevonden begin februari 2013.

Passus betekent schrede, lengtemaat en dat heeft betrekking op de lengte, de aanhef en vooral een verticale toonorganisatie die ik baseerde op de bekende koraal 'Jesu meine Freude'.

Het werk is ééndelig en bestaat uit verschillende gedeelten. Na een korte inleiding volgen zes variaties die onderling sterk van karakter verschillen. De koraalmelodie, die zelf in deze variaties partieel en rudimentair aanwezig is klinkt slechts een keer volledig in het pedaal (variatie zes).

Mogelijk zal de koraal moeilijk te herkennen zijn. Hierna –inmiddels vijf minuten verder - volgt een imiterend deel over de noten van het begin van de koraal. De beweging onttrekt zich aan de 'Einheit des Affectes' die voor vele fuga's eeuwenlang zo kenmerkend is gebleven. Dit eens te meer daar na anderhalve minuut dit deel wordt onderbroken door een kort toccata-achtig deel ('een halve minuut). Hierna wordt de imiterende draad weer opgenomen en sluit der fuga (na twee en een halve minuut) waarna opnieuw een toccata volgt en een korte coda.






92. Dum spiro, dum vivo

(Lat.): zolang er adem is, is er leven

Voor euphonium en piano. Tijdsduur: 08'30". Gecomponeerd 2012/13: voltooid 16/01/2013.

Delen:
  1. kwart = 60
  2. kwart = 120
  3. kwart = 90
  4. kwart = 120

Op verzoek van Hans Nickel

Versie voor euphonium en strijkkwartet (opus 92b): voltooid: 31/01/2013

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Alle vier de delen zijn gebaseerd op het optreden van een ostinaat (een onveranderlijk gegeven). Het ostinaat is hier een tijdsduur, of beter een zekere lengte. Deze lengte kan door een beginnoot worden weergegeven (iedere keer dat de lengte is vervuld is er een gebeurtenis) of door een melodisch fragment worden 'opgevuld', hoe dan ook: de lengte is doorslaggevend voor de compositie. Beginnend op de eerste tel zal na een aantal maten het ostnaat weer op een eerste eindigen(en kan daar opnieuw beginnen). De tussenliggende verschuivingen van een lengte en de combinaties verschillende lengten resulteren in interessante ritmische gestiek.

Deel I is gebaseerd op de lengte van negen achtste noten. Dit ostinaat ligt –met enige uitzonderingen – in de baskant van de piano. Eerst heeft de euphonium de hoofdstem, de piano het ostinaat. Vervolgens heeft de piano de hoofdstem (en het ostinaat) het euphonium voert een sterk ritmische figuur uit. Vervolgens herneemt de euphonium de hoofdstem en neemt de piano de sterk ritmische figuur van het euphonium over (het ostinaat blijft in de piano), Daarna wordt de piano de hoofdstem, het euphonium ondersteunt het ostinaat in de piano. Er ontstaat een vierdelige structuur.

Deel II is gebaseerd op de combinatie van twee lengten; een van zeven achtsten en een van acht achtsten. Het euphonium stelt de lengte van zeven voor. Dan volgen de combinaties van zeven en negen. Deze beide lagen verschuiven zo lang ten opzichte van elkaar en komen pas in de slotmaat weer beide samen op de eerste tel. Hier sluit het deel.

Deel III heeft een lengte van zeven achtsten; eerst in de tuba, dan in de piano en dan weer in de tuba.

Deel IV combineert weer negen, zeven en vier naar het volgende schema:

Tuba 7 4 7 9 7/4 4 9 vrij slot
Diskant piano 9 9 4 7 9 7 4/7 vrij slot
Baskant piano 4 7 9 4 vrij 9 vrij vrij slot






93. Concert voor violoncello en orkest

Bezetting orkest: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, hoorn, slagwerk (1), strijkers. Tijdsduur: 17'. Voltooid: juli 2013.

Delen:
  1. kwart = 80; 03'
  2. kwart = 80; 05'30"
  3. kwart = 80; 08'30"

Versie voor violoncello en piano (opus 93b).

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel is een thema met twee variaties, hier staat de cello centraal en is het orkest een ondergeschikte laag.

Het tweede deel is een scherzo. Het bestaat uit een opeenvolging van vijf bewegingen die worden herhaald, zij het dat er steeds een gestiek minder is. Zo ontstaat vanzelf een afbouw naar een afsluiting toe. Na een contrasterend middendeel volgt een gevarieerde herhaling van het scherzo.

Het derde deel combineert de fuga-techniek met variaties. Het deel begint als een fuga-expositie; er zijn twee thema-inzetten. Dan volgen vier variaties op het thema van de fuga. Er volgt een fantasie (vrije ontwikkeling) op het thema, daarna is er een lange cadens voor cello solo en vervolgens komt er een re-expositie van de fuga met verschillende inzetten van het thema.






94. Strijkkwartet nr. VI, 'Bist du bei mir'

Voor 2 violen, altviool, violoncello. Tijdsduur: 12'. Voltooid: 22/10/2013.

Eendelig. Kwart = 66, kwart = 96, kwart = 66, kwart = 96.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het kwartet begint met een langzame inleiding Daarna volgt een sneller gedeelte met twee hoofdgedachten.

De daaropvolgende verwerking is sterk contrapuntisch van opzet wordt in het verloop gecombineerd met fragmenten uit de melodie 'Bist du bei mir' van Johann Sebastian Bach (BWV 508).

Na een herhaling van de langzame inleiding volgt een herhaling van het deel met de twee hoofdgedachten. Een korte coda sluit het werk.






95. Strijkkwartet nr. VII

Voor 2 violen, altviool, violoncello. Tijdsduur: 15'. Voltooid: 11/04/2014.

Delen:
  1. kwart = 80, kwart = 120; 08'30"
  2. kwart = 80; 02'40"
  3. kwart = 80; 03'

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel is een sonate als structuur, zij het dat na de re-expositie een tweede verwerking volgt waardoor de structuur eerder een A-B-A-C wordt.

In het tweede deel wordt een A deel gevarieerd herhaald daarna volgen twee daarmee in losse samenhang staande delen (B en C).

Het derde deel heeft een scherzando karakter. Het eerste gedeelte is driedelig als ABA, waarbij de tweede A een verkorte herhaling is. Na een contrasterend deel wordt deze gehele ABA herhaald, zij het dat de verkorting hier -over de gehele herhaling- nog rigoureuzer is doorgezet.






96. Symfonie

Voor 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns, slagwerk (1), strijkers. Tijdsduur: 19'. Voltooid: 09/02/2015.

Delen:
  1. Allegro; 07'
  2. Largo; 03'30"
  3. Scherzando; 04'
  4. Presto; 04'30"

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De symfonie volgt het structuurschema van symfonieën uit de tweede helft van de 18de eeuw en is ook in gestiek met deze periode verwant.

Het Allegro heeft een sonatevorm. Het Largo is in zijn grilligheid capricieus. Het Scherzando is een scherzo met trio en gevarieerde herhaling. Het Presto is opnieuw een sonate als structuur.






97. Quis sustinebit

Voor gemengd koor (met piano ad libitum). Tijdsduur: 10'. Voltooid: 20/05/2015.

Delen:
  1. Si iniquitatis; 03'30"
  2. Averte faciem tuam; 03'30"
  3. Non intres in judicium; 03'

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De teksten zijn genomen uit het ritueel van de Rooms Katholieke eredienst en meer speciaal uit het ritueel van de begrafenisplechtigheid.

Het 'Si iniquitatis' is de antifoon van het 'De Profundus' (psalm 130), het 'Averte faciem tuam is' een gedeelte uit psalm 50 en het 'Non intres in judicium' een gedeelte van psalm 142.

I  
Antifoon  
Si iniquitates observaveris, Domine: Als Gij acht slaat op ongerechtigheden heer,
Domine, qui sustinebit? Heer, wie zal dan standhouden?
   
Psalm  
De profundis clamavi ad te, Domine; Uit de diepte roep ik U, Heer,
Domine exaudi vocem meam. Heer, hoor mijn stem.
Fiant aures tuae intendentes Moge Uw oren de bedoelingen horen,
in vocem deprecationis meae. van de smekingen in mijn stem.
Si iniquitates observaveris, Domine:
Domine, qui sustinebit?  
   
Quia apud te propitiatio est; Maar bij u is verzoening
et propter legem tuam sustinui te, Domine. wegens uw wet verwacht ik U, Heer.
Sustinuit anima mea in verbo eius; Mijn ziel wacht op Zijn woord;
speravit anima mea in Domino. mijn ziel hoopt op de Heer.
Quia apud Dominum misericordia, Want bij U is barmhartigheid,
et copiosa apud eum redemptio. en overvloedig is bij Hem de oplossing
Requiem aeterna dona eis, Domine Geef hen eeuwige rust, Heer
et lux perpetua luceiat eis. en het eeuwige licht verlichtte hen.
   
Si iniquitates observaveris, Domine:  
Domine, qui sustinebit?  
   
II  
Averte faciem tuam a peccatis meis: Wend uw gelaat af van mijn zonden
et omnes iniquitates meas dele. en doe al mijn ongerechtigheden te niet.
Cor mundum crea in me Deus: Schep, een rein hart in mij, Heer
et spiritum rectum innova in visceribus meis. vernieuw in mijn binnenste een oprechte geest
Ne projicias me a facie tua: et spiritum sanctum verban mij niet uit uw aangezicht, neem uw
tuum ne auferas a me. heilige geest niet weg van mij.
   
III  
Non intres in judicium Treedt niet in het gerecht
cum servo tuo, Domine met uw dienaar. Heer
quia milles apud te want geen mens
justificatibur homo kan zich bij U rechtvaardigen
nisi per te omnium peccatorum indien hem niet door U
ei tribuatur remissio. vergiffenis van alle zonden wordt gegeven.





98. ClavierQuintett

Voor 2 violen, altviool, violoncello, piano. Tijdsduur: 08'. Voltooid: 24/09/2015.

Delen:
  1. kwart = 60; 02'
  2. kwart = 116; 06'

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste, langzame deel bestaat uit drie –duidelijk van elkaar te onderscheiden- delen die steeds korter worden, respectievelijk 60 seconden vervolgens 40 seconden (twee derde korter dan het voorafgaande) en vervolgens 20 seconden (de helft korter). Hierdoor ontstaat een indruk van versnellen naar het tweede deel toe en inderdaad is dit eerste deel gezien als een voorspel naar het tweede.

Dit tweede deel heeft een groei van eenvoudig naar complex en weer terug naar eenvoudig. Het bestaat uit een viertal gegevens die onderling –gelijktijdig- steeds verschillende combinaties aangaan. Deze gedeelten worden onderbroken door tussenspelen.






99. Trio

Voor viool, altviool en piano. Tijdsduur: 13'. Voltooid: 06/01/2016.

Delen:
  1. Recitatief, Arioso en Aria
  2. Thema en variaties

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel is opgezet als een instrumentaal muziekdramatisch fragment. Om de uitvoering van het recitatief (op toonhoogte spreken) en het arioso (sprekend zingen) te versterken is onder met name de viool (en beperkt de altviool) een tekst genoteerd. Deze is genomen uit Goethe's Faust deel 1: 'Ím Studierzimmer: Faust und Mephistopheles'. De bedoeling is, door deze woorden tijdens de uitvoering geluidloos te spreken, de expressie van de uitvoerende musicus te versterken.

Het tweede deel zijn negen variaties over de eerste 15 maten van mijn lied 'Fiedervieh' voor stem en piano (2012) op tekst van Petra Maria Amrhein.

De variaties zijn geordend in drie groepen. De eerste van iedere groep bestaat uit een variatie over de hoofdstem. De tweede van iedere groep is de hoofdstem als ostinaat: een gelijkblijvend fragment in alle drie de groepen voorzien van vrije tegenstemmen: in variatie II is dit ostinaat er een enkele keer, in variatie V twee keer en in VIII drie keer. De derde van iedere groep is een ontwikkeling op de gegeven melodie.

In een overzicht:
Thema

  • I Variatie
  • II Ostinaat (1x)
  • III Ontwikkeling
  •  
  • IV Variatie
  • V Ostinaat (2x)
  • VI Ontwikkeling
  •  
  • VII Variatie
  • VIII Ostinaat (3x)
  • IX Ontwikkeling





100. Quintet voor blazers

Voor fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot. Tijdsduur: 10'. Voltooid: 08/06/2016.

Eendelig: Presto, kwart = 160

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De structuur van het werk is gebaseerd op een -vanaf de achttiende eeuw -veel toegepast structuurbeginsel: dat van de sonate als structuur. Het idee van deze structuur is: er zijn twee hoofdgedachten die na elkaar worden geëxposeerd, na een verwerking daarvan worden beide herhaald.

Na een eerste hoofdgedachte volgt een overgang naar een schijninzet van de tweede, dan volgt inderdaad de tweede hoofdgedachte gevolgd door een slotgroep in de hoofdtoon daarvan. In de verwerking wordt eerst de eerste hoofdgedachte en daarna de tweede hoofdgedachte ontwikkeld, na een kort vrij gedeelte (cadens) worden in het herhalend gedeelte de eerste en de tweede hoofdgedachte gelijktijdig(!) gespeeld. Na de schijninzet volgt de slotgroep, nu in de hoofdtoon van de eerste hoofdgedachte.






101. December: Nonet over een eigen Lied

Voor fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn, viool, altviool, violoncello, contrabas. Tijdsduur: 10'. Voltooid: 31/10/2016.

Eendelig, kwart = 90

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het werk is gebaseerd op het Lied 'December' voor stem en piano (2016) op een gedicht van Petra Maria Amrhein.

Nadat het lied in zijn geheel is geciteerd (uiteraard zonder stem) volgt een variatie over een de eerste zeven maten, het eerste fragment, van het lied dat onmiddellijk gevolgd door een ontwikkeling over datzelfde deel. Het lied is in vijf fragmenten verdeeld Het beginsel variatie /ontwikkeling wordt ook op de andere vier fragmenten toegepast. Na deze vijf gedeelten volgt een Coda: een verkorte versie van het lied.






102. Concert voor piano en orkest

Bezetting orkest: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns, slagwerk (1), strijkers. Tijdsduur: 15'30". Voltooid 15/02/2017.

Eendelig, kwart = 90

Delen:
  1. kwart = 88; 03'30"
  2. Allegro, kwart = 132; 12'

Versie voor twee piano's (opus 102b)

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel bestaat uit drie delen. Het eerste gedeelte is zonder piano. In het middendeel is de piano de hoofdstem. Het derde gedeelte is een herhaling van het eerste maar nu met een omspelende pianostem.

Het tweede deel stelt twee hoofdgedachten voor die zijn gescheiden door een overgang (1) een schijninzet van wat geen tweede hoofdgedachte is en vervolgens een overgang(2) naar de daadwerkelijke tweede hoofdgedachte. Vervolgens wordt deze opbouw ook verwerkt in de volgorde hoofdgedachte een, overgang 1, schijninzet een hoofdgedachte twee. Hierop wordt overgang 2 verwerkt waarna dit tweede deel van het concert met een korte coda sluit.






103. Droom

Voor basklarinet, baritonsaxofoon en drie tomtoms. Tijdsduur: 03'30". Voltooid: 01/04/2017.

Eendelig, kwart = 90

Als declamatorium met tekst van Pé Hawinkels: Droom (opus 103b). Voor spreekstem, basklarinet, baritonsaxofoon en drie tomtoms.

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

De oorspronkelijke opzet is een declamatorium op het gedicht 'Droom' van Pé Hawinkels met twee melodie instrumenten en slagwerk.

Het korte werk heeft een symmetrische structuur. Het begint met een halve minuut een in versnellende beweging waarin het lastig is een teleenheid te horen, daarna volgt één minuut een dansachtige beweging (goed hoorbare tel); hier zet de spreekstem in. Na een goed hoorbare pauze (tekst: 'geluidloos)'volgt een een afleiding van dit deel, Het is een gevarieerde herhaling, het ritme van de twee melodie instrumenten wordt samengebald in de basklarinet (zij het van achter naar voren), de tom-toms herhalen eveneens hun ritme van achter naar voren, de saxofoon heeft nu een vrije stem. De spreekstem eindigt de tekst en er volgt een naspel dat de eerste minuut van achteren naar voren is, waardoor een sterk vertragende beweging ontstaat.

Bewegingen van achter naar voren zijn (de zogenaamde kreeftengang) zijn vrijwel niet letterlijk volgbaar te horen; wat zij wel doen is het creëren van een samenhang die hoorbaar maar moeilijk duidbaar is. Je vraagt je af: ik hoor een samenhang, maar wat is die?






104. VII Kleine Klavierstücke

Voor piano. Tijdsduur: 05'. Gecomponeerd 25/04/2017 - 05/05/2017, voltooid: 08/05/2017.

Delen:
  1. Sehr Ruhig
  2. ein wenig bewegt
  3. fliessend
  4. ruhig
  5. belebt
  6. ruhig
  7. mässig bewegt

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Deze korte pianostukken ontstonden na een intensieve studie in het voorjaar van 2017 van de Sechs kleine Klavierstücke Op 19 (1913) van Arnold Schönberg.

De analyse van deze werken naar materiaalorganisatie van toonhoogte heeft tot nu toe (2017!) nog geen bevredigende resultaten opgeleverd. Ik meen nu een mogelijkheid op het spoor te zijn gekomen en heb volgens dat technische idee zelf enige zeer korte stukken geschreven.

Natuurlijk ontstaat dan andere muziek dan die van de bestudeerde muziek, want een idee over hoe met tonen om te gaan staat niet gelijk aan het wijze waarop compositorische ideeën in klank tot leven komen.






105. Klarinettenquintett

Voor bes-klarinet, 2 violen, altviool, violoncello. Tijdsduur: 08'30". Voltooid: 24/05/2017.

Delen:
  1. Scherzo
  2. Variationen

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel heeft een ABA'-structuur. Het A deel heeft een scherzando-karakter en begint met een sterk ritmisch en wordt vervolgd met een meer melodisch deel. Het B –deel (trio) heeft de omgekeerde gestiek; het begint uitgesproken melodisch en wordt steeds ritmischer. Hierna wordt het A-deel gevarieerd herhaald.

Het variatie-idee van het tweede deel bestaat uit een basis van vier lagen met een verschillende tijdsduur. Deze worden voortdurend herhaald, waarbij de lengte van de tijdsduur door één, maar ook door meerdere noten kan worden bepaald. De lagen worden gecombineerd met liggen blijvende stemmen (orgelpunt) en met vrije stemmen.

Laag 1 is in tijdsduren afnemend: de waarden worden, zij het door pauzen gescheiden, steeds kleiner. Dat geldt ook voor laag 3 (in die zin is deze laag een canon met laag 1). Laag 4 doet het tegenovergestelde: vanuit één noot worden er, door pauzen gescheiden, steeds meer noten toegevoegd. Laag 2 is een verschuivend één noot- figuur (die soms wordt onverdeeld) maar in totale tijdsduur onveranderd blijft.

Het overzicht is als volgt:

(de cijfers zijn de verschillende lagen (gelijke nummers betekende de instrumenten werken samen aan dezelfde laag), op=orgelpunt, vrij=vrije stem, zwijgt=de stem pauzeert:)

  Thema Var. I Var. II Var. III Var. IV Var. V Var. VI
Klarinet 1 2 vrij 4 2 4 vrij
Viool I 4 4 1 vrij op 3 3
Viool II 4 op zwijgt 2 1 3 3
Altviool 4 1 4 3 vrij 2 4
Violoncello 4 vrij 3 zwijgt 3 1 4

Waarschijnlijk is dit schema te ingewikkeld om zo gehoord te worden; wat ontstaat is een werk waarin te onderscheiden verbanden tijdens verschillende luisterervaringen op verschillende momenten worden gehoord en op die manier steeds weer nieuwe luisterervaringen schept.






106. Grossmutter gestorben   

Musikdrama (Eine Polit-Satyre). Tijdsduur: 80'. Gecomponeerd: juli 2017 - maart 2018.

Libretto: Christoph Amrhein.

Bezetting:
  • Chef (sprechstimme)
  • Magdalena (sopran)
  • Adam (tenor)
  • Zick (tenor)
  • Zack (bar.)
  • Hans (bar.)
  • Orchester: fluit, hobo, klarinet, saxofoon, fagot, slagwerk(1). piano, viool, altviool, violoncello, contrabas.
Delen:
  • Vorspiel
  • I Ankunft und Bekanntmachen
  • II Grossmutter - Witz mit Zeitung
  • III Grossmutter - Wahrheit mit Magdalena
  • IV Grossmutter - Parole mit Chef
  • V Parole und markierter "Konzert"-Durchlauf
  • VI Manöver-Kritik und Übergang zu Liebesszene
  • VII Politik und Liebesszene
  • VIII Notturno - Zwischenmusik
  • IX Neuer Tag - Streit (Hans/Adam) - Tatort-Umbau
  • X Kritik und Ansagen vom Chef
  • XI Kaminfeuer - Konservenstreit - Magdalena-Ferkel
  • XII "Schweinerei-Dichtung" - Streit-Eskalation
  • XIII Chef: Ex-Machina - Magdalena: Sparferkel-Angebot
  • XIV Original-"Konzert" und Finale
  • XV Das Paar allein
  • Finale und Nachspiel
Werkbespreking:

De regisseur/acteur Christoph Amrhein ken ik al ruim dertig jaar. In 2017 stuurde hij mij zijn Cajaphas, een eenakter die een grote indruk op mij maakte. Dat bracht mij op een idee.

Ik vroeg hem mij een komisch libretto (een ‘buffa’) te schrijven en tot mijn genoegen stemde hij toe. Het werd 'Grossmutter gestorben', waarbij het komische nogal grotesk is geworden: tijdens de scenes vroeg ik mij regelmatig af: is dit om te lachen of om te huilen?

Het verhaal is gebaseerd op een historische gebeurtenis. Het uitlokken van wat de tweede wereldoorlog is geworden, door een gefingeerde aanval van zogenaamd Poolse verzetsstrijders (in werkelijkheid Duitse soldaten) op een Duits radiostation in Gleiwitz, een plaatsje aan de Poolse grens. Het sleutelwoord, het commando op 30 september 1939 om deze actie uit te voeren luidde “Grossmutter gestorben”.

Deze ‘provocatie’ werd door de leiding van Nazi-Duitsland aangegrepen om Polen binnen te vallen: Hitler via de radio: “Seit 5.45 Uhr wird zurückgeschossen”.

In het libretto komen de Duitse soldaten, vermomd als musici aan in een hotel in de buurt van de zender in Gleiwitz. Zij gaan daar – zogenaamd- life een concert geven.

De Ober-Sturmbann-Führer (Chef) is zeer doelgericht.

De mannen (met name Zick/Zack en Hans) laten hun neerbuigende gevoelens over de Poolse bevolking vrije loop, wat des te meer schrijnt daar de hoteleigenaresse (Magdalena) duidelijk van Poolse afkomst is. Alleen Adam houdt zich daarvan afzijdig. Tussen hem en de Magdalena groeit iets teders, vrijwel onmiddellijk belast door de –alleen voor Adam bestemde, bekentenis van Magdalena dat zij een uit Danzig gevluchte Jodin is.

Het stuk eindigt met een strijd tussen de mannen die voor Adam tragisch eindigt, een beschouwende epiloog van Magdalena besluit de opera.

Het werk bestaat uit instrumentale gedeelten, declamatoria en aria’s.

Tijdens de instrumentale gedeelten is er altijd sprake van een handeling, er gebeurt iets op het toneel waarbij (vrijwel) niet wordt gesproken.

De declamatoria staan in de plaats van wat vroeger een recitatief was. Er wordt gesproken terwijl er muziek klinkt.

In deze opera zijn twee soorten declamatoria verwerkt:

  • gebonden: dat will zeggen het verloop van muziek is aan tijd gebonden. Vaak zijn dit gedeelten van muziek die later in gezongen gedeelten terugkomt als hoofdstem of als secundaire laag daarvan. Deze muziek is zelfstandig (heeft een eigen betekenis buiten de gesproken tekst om), er komen ook onzelfstandige, maar wel aan tijd gebonden muziekgedeelten voor.
  • vrij: dat will zeggen dat het tijdsverloop van de muziek is gebonden aan dat van de gesproken tekst. In de meeste gevallen is deze muziek zeer onzelfstandig, dat will zeggen dat zij geen eigen betekenis heeft en zich helemaal richt naar de tekst.

De arias (puur gezongen gedeelten) zijn ofwel solistisch of meerstemmig. In dat laatste geval (duetten, terzetten, kwartetten, kwintetten) zingen de verschillende stemmen veelal na elkaar.

Uiteraard komen in de opera ook combinaties van deze –basaal drie- vormen voor. Zo komen in de declamatoria ook gezongen gedeelten voor, soms is de spreekstem aan een gegeven ritme gebonden etc.).

De opbouw van de opera bestaat uit een Vorspiel, 15 scenes en een Finale (met Nachspiel). Aan ieder van deze onderdelen is een centrale toon gekoppeld volgens het schema:

Vorspiel 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 Finale/ Nachspiel
  C Des Es E F G A Bes C D Es F Fis As A B C

Het is eenvoudig te zien dat de betrekkingstonen bewegen (via halve en hele tone van C naar C (8) en vervolgens via hele en halve tonen naar C.






107. Concert voor viool en orkest

Bezetting orkest: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns, 2 trompetten, trombone, slagwerk (1: Marimba, Cymbals (sospesi), Woodblock, Snare Drum, Bass Drum), strijkers. Tijdsduur: 16'. Voltooid: 18/04/2018.

Delen:
  1.  
  2.  

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het concert werd geschreven in de periode maart-mei 2018 en bestaat uit twee delen.

Het eerste deel duurt vier minuten, is langzaam (kwart=66) en onderverdeeld in vier delen die goed zijn te volgen door de beweging van de solo-viool door de registers. Het eerste gedeelte beweegt in het hoge register. In het tweede gedeelte daalt de solo-viool van hoog naar laag. Het derde gedeelte beweegt in het lage register en het vierde beweegt van laag naar hoog.

Het tweede deel duurt twaalf minuten en is complexer van opbouw.
Het opent met een solo voor de viool onderbroken door korte fragmenten in het orkest.Hierna volgt in het orkest een gegeven 1 met een sterk ritmisch karakter waarop in de volgende zin de muziek tot rust komt.
De soloviool speelt hierna een gegeven 2 dat vervolgens gevarieerd herhaald wordt.
Nu een versnellend gedeelte volgen twee variaties van gegeven 1: in de eerste variatie verlangzaamt het orkest en de viool versnelt en in de tweede variatie verlangzaamt de viool en versnelt het orkest.
Nu volgt een langer deel dat een verwerking is van gegeven 2; dit gegeven wordt geïmiteerd waarbij in de imitatie(herhaling) de oorspronkelijke waarden van het gegeven met een constante wordt verlengd. Dat beginsel wordt ook op de tegenstemmen toegepast:
Hierna volgt een variatie van gegeven1 met een nieuwe melodie in de viool en een ontwikkeling van het gedeelte voor de inzet van de soloviool met gegeven 2.
Nu volgt een nieuwe verwerking van gegeven 2: opnieuw zijn er imitaties met constante vergrotingen maar nu is de gelaagdheid driestemmig.
Na een tweetal variaties over gegeven 1 volgt een afbouw met een slotgroep.

Schematisch:

Inleiding
 
A gegeven 1: sterk ritmisch beweging in het orkest
B ontwikkeld uit A: tot rust komend
 
C gegeven 2 een melodische beweging in de soloviool
C' een variatie op C
 
D ontwikkeld uit B: maar nu steeds meer in beweging komend
 
A1 viool versnelt, orkest verlangzaamt
A2 viool verlangzaamt, orkest versnelt
 
E ontwikkeling uit C:        
Dux (gegeven 2) Comes 1 (tegenstem 1) Comes 2 (tegenstem 2)    
  Dux (gegeven 2) Comes 1 (tegenstem 1) Comes 2 (tegenstem 2)  
  (+ zestiende) (+ kwart) (+ zestiende)  
         
A3 een variatie op gegeven 1
 
D1 een variatie op deel D
 
F ontwikkeling uit C:        
Dux Comes 1 Comes 2    
(+ kwart) (+ zestiende) -    
    Dux Comes 1 Comes 2
    - (+ zestiende) (+ kwart)
  Dux Comes 1 Comes 2  
  (+ zestiende) - (+ zestiende)  
         
A4 een variatie op gegeven 1
A5 een variatie op gegeven 1
 
B1 een variatie over het
tot rust komend gedeelte
 
Slotgroep






108. Kwartet voor viool, altviool, violoncello en piano   

viool, altviool, violoncello en piano. Tijdsduur: 12'30". Voltooid: 11/09/2018.

Delen:
  1. Tijdsduur: 3'30"
  2. Tijdsduur: 9'

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Het eerste deel is geheel op een combinatie tussen ontwikkeling– en canontechniek gebaseerd. In de piano klinkt een sterk ritmisch gegeven terwijl de strijkers als tweede laag zich gezamenlijk vinden in een klankveld; onmiddellijk volgend worden de rollen omgekeerd: de piano speelt een klankveld en de drie strijkers het ritmisch gegeven.

Er volgt een korte, vrij canon gebaseerd op het ritmische gegeven in de viool en de linkerhand van de piano. De overige stemmen vormen een tweede laag.

Nu worden in alle instrumenten gegevens uit het klankveld ontwikkelt in een toenemende versnelling van de gebeurtenissen.

Er volgt een driestemmige canon gebaseerd op de vorige tweestemmige. Een imitatie staat in de tegentijd (wordt een achtste verschoven) en de andere in de tegenbeweging (intervallen die stijgen worden dalend en omgekeerd).

Het volgende gedeelte is een vrij beweging achteruit van de ontwikkeling uit het klankveld die daardoor nu vertragend werkt.

Er volgt een vierstemmig canon gebaseerd op de vorige driestemmig, de toegevoegde stem is niet alleen een achtste verschoven maar staat eveneens in de tegenbeweging. Een korte coda sluit dit deel.

Het tweede deel is geheel op een combinatie tussen variatie – en canontechniek gebaseerd. Het volgende overzicht geeft de plaatsing en verwerking van het thema over de verschillende instrumenten weer. De overige instrumenten spelen dan een secundaire laag of zwijgen.

A Het thema enigszins vervormd in de linkerhand van de piano
A1 Een variatie over dit thema in de cello
C (uit A) Een tweestemmige canon op het thema tussen vla en vl
A2 en tweede variatie over dit thema in de vl
A3 Een derde variatie over dit thema in de vla
C1 Een tweestemmige canon op het thema tussen vc en de rechterhand van de piano
A4 Een vierde variatie over dit thema in de pf
C2 Een driestemmige canon op het thema tussen vl en vla en vlc
  Een coda sluit dit deel.






109. XII Kinderstücke für Klavier

piano. Tijdsduur: 11'. Voltooid: 14/10/2018.

Delen:
  1. Marsch
  2. Andante
  3. Walzer
  4. Ruhig
  5. Scherzo
  6. Trio
  7. Ruhig
  8. Wild
  9. Espressivo
  10. Capriccioso
  11. Tänzlein
  12. Fliessend

Te verkrijgen via auteur.

Werkbespreking:

Deze pianostukken werden in korte tijd geschreven met als achtergrond een pianomuziek te componeren die volledig aan mijn eisen voldoet en van een middelmatige moeilijkheidsgraad is.

De onmiskenbare bedoeling was de nog niet ver gevorderde pianist een aantal werken in hedendaagse stijl te geven.







110. Concert voor klarinet en orkest

Bezetting orkest: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 hoorns, trompet, trombone, slagwerk (1: Marimba, Cymbals (sospesi), Woodblock, Snare Drum, Bass Drum), strijkers. Tijdsduur: 12'. Voltooid: 6/12/2018.

Delen:
Werkbespreking:

Het concert werd geschreven in de periode oktober/december 2018 en bestaat uit drie delen.

Het eerste deel duurt 2,5 minuten, is langzaam (kwart =76) en onderverdeeld in twee delen. Het eerste onderdeel bestaat uit acht inzetten van de soloklarinet die van elkaar gescheiden zij door steeds kortere rusten (acht kwartrusten, dan zeven , dan zes etc tot één). Het tweede onderdeel heeft dezelfde opbouw zij het dat de rusten nu steeds langer worden: (van een tot acht kwartrusten). Een korte cadens sluit het deel.

Het tweede deel is snel (kwart = 176) duurt 4,5 minuten en is een scherzando met tussendeel en herhaling van het scherzando. Het eerste deel bestaat uit vier variaties over een gegeven, het middendeel –in iets rustiger tempo- is driedelig (B-C-Variatie van B), daarna volgt een gevarieerde herhaling van de eerste vijf variaties. Een korte coda sluit het deel.

Schematisch:

A, A1, A2, (kort tussenspel voor klarinet solo) A3, A4, (tussenspel), A5 (tussenspel)

B, C, B1

Var A, Var A1, Var A2 ( klarinet solo) Var A3, Var A4, (tussenspel), Var A5 (tussenspel)

Het derde deel zijn variaties op een eigen lied voor stem en piano: Jahreswende op een gedicht van P.M. Amrhein.

Eerst klinkt het lied waarbij de zangstem wordt vertolkt door de klarinet. Dit lied bestaat uit vier delen (ABCD). Achtereenvolgens worden de afzonderlijke delen gevarieerd en meteen daarna ontwikkeld.

Schematisch:

Lied (ABCD)

Variatie en ontwikkeling op A

Variatie en ontwikkeling op B

Variatie en ontwikkeling op C

Variatie en ontwikkeling op D







111. Tweern voor klarinet en basklarinet

klarinet (bes) en basklarinet (bes). Tijdsduur: 10'. Voltooid: 23/01/2019.

Voor Paulien

Werkbespreking:

In de herfst van 2018 vroeg Paulien ten Koppel mij een werk voor klarinet en basklarinet. Daar ik haar ken als een voortreffelijk klarinettist en een toegewijd musicus zegde ik met plezier toe.

Tweern werd geschreven tussen 7 en 23 januari 2019.

Het bestaat uit twee delen die zonder pauze op elkaar volgen.

Het eerste deel is langzaam en bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is eenstemmig bestaat uit een opeenvolging van groepen van drie tonen die vanwege de grote omvang over beide instrumenten zijn verdeeld. Het tweede onderdeel is een gevarieerde herhaling waarbij de tonen een, twee en drie op verschillende wijze over elkaar heen schuiven. Na een korte overgang volgt deel twee.

Dit deel twee is verdeeld in drie groepen.

De eerste groep bestaat uit drie gedeelten. Gedeelte één begint met een klankveld waaruit individuele noten geprononceerd naar voren springen. Na een maat rust volgt gedeelte twee: een combinatie tussen dit klankveld een vrije imitatie over het ritme van de ook hier geprononceerde noten. Na een korte onderbreking van twee maten (lange noten in de basklarinet) volgt gedeelte drie: een canon over het ritme van de imitatie in die zin dat het ritme van de twee instrumenten uit de eerste twee zinnen wordt ‘samengevat’ en eerst in het ene instrument (de klarinet) en dan –imiterend- in het andere instrument (de basklarinet) wordt geplaatst.

Als overgang naar de tweede groep volgt nu een korte vrije cadens in de basklarinet. De tweede groep bestaat uit vijf gedeelten gebaseerd op twee melodieën (A en B). A begint in de klarinet met een begeleiding in de basklarinet (gebaseerd op het ritme van de canon). Dan volgt B in de basklarinet met een begeleiding in de klarinet gebaseerd op de ‘vrije imitatie’. Hierop volgt een variatie van A en B gelijktijdig. Een sterk gevarieerde B in de klarinet wordt begeleid door figuren uit het klankveld in de basklarinet en tenslotte volgt een gevarieerde A in de basklarinet begeleidt door een tegenstem in de klarinet.

Als overgang naar groep drie volgt nu een vrije cadens in de klarinet. Groep drie bestaat opnieuw uit drie gedeelten. Deel een en twee zijn een ontwikkeling op een gegeven dat in het ‘imiterend gedeelte’ van groep een, een vrij onbelangrijke begeleidende gestiek was. De eerste ontwikkeling is in de klarinet (de basklarinet begeleidt) dan in de basklarinet (de klarinet begeleidt). Na een vertraging wordt het tempo in gedeelte drie hernomen met een combinatie van het klankveld en de ontwikkelingen uit het onmiddellijk voorafgaande deel, het is zo een gevarieerde herhaling van het klankveld van het begin. Na een maat pauze wordt het ‘imiterend gedeelte’ herhaald, tegelijkertijd wordt de beweging afgebouwd door steeds meer optredende rusten.

Een korte coda sluit het werk.







112. Strijkkwartet VIII

Voor 2 violen, altviool en violoncello. Tijdsduur: 14'30". Voltooid: 22/02/2019.

Delen:
Werkbespreking:

Begonnen in december 2018 werd het werk na deel I onderbroken door de compositie van Tweern (op 110). De delen III en II werden in Februari 2019 voltooid.

Deel I is een fuga (structuur waarin imiterende gedeelten worden afgewisseld met niet-imiterende gedeelten: de tussen spelen) waarbij het thema bestaat uit groepjes van een aantal noten en de articulatie daarvan. Hoogte en duur zijn daarmee volledig vrij. Ieder groepje wordt onderbroken door een rust van gelijkblijvende lengte.

(Het thema is: twee noten legato, pauze, drie noten staccato, pauze, drie noten legato, korte rust en twee legato, een noot staccato).

De opzet is dat de (vier) imiterende gedeelten steeds korter en de (vier) tussenspelen steeds langer worden.

Deel II is een scherzo, dit bestaat uit een eerste A zin die wordt gevolgd door een tweemaal gespeeld B zin. Er volgt een sterk gevarieerde herhaling van A en B (B slechts een keer gevarieerd). Na een tussendeel (ook weer uit twee zinnen bestaand) wordt het scherzo gevarieerd herhaald.

A BB A’B’
C D
A” B’’ A’’’’ B’’’’

De variatie na het tussendeel bestaat voornamelijk uit de verwisseling van plaats van de stemmen. Zo wordt de muziek van viool 1 van A B die van de violoncello van A’’B’’, viool twee wordt altviool, altviool wordt viool 2 en violoncello wordt viool 1.

Schematisch: viool 1 = 1, viool 2 = 2 altviool = 3 en cello = 4

1 wordt 4
2   3
3   2
4   1

In A’’’B’’’’ is de verwisseling:

1 wordt 3
2 blijft 2
3 wordt 4
4   1

Deel III is gebaseerd op een van de pianostukken (nr 5) uit op 109 (XII Kinderstücke für Klavier). Deze korte compositie is tweestemmig, zij het dat de ene stem voornamelijk uit secundesamenklanken bestaat en de andere uit tritoni.

In deel III van het kwartet wordt het pianostuk eerst geciteerd, daarna volgen er tien variaties. De variatie techniek is een voortzetting van wat al in het deel II werd toegepast.

De vier lagen( de twee paren van twee stemmen) keren in wisselende aantallen terug in de variaties De niet aangehaalde lagen vormen een vrije tegenstem.

De volgorde is thema, var 1: een vrije tegenstem (drie lagen geciteerd), var 2 twee vrije tegenstemmen (twee lagen geciteerd) var 3 drie vrije stemmen (een laag geciteerd). Dit beginsel wordt driemaal herhaald en word besloten met variatie 10 die een plaats verwisseling van alle vier de stemmen laat horen.







113. V Stukken voor orkest

Bezetting: 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 fagotten, 2 trompetten, 4 hoorns, 2 trombones, bastuba, slagwerk (1:Marimba, Cymbals (sospesi), Snare Drum, Bass Drum, Timpani (2)), Strijkers. Tijdsduur: 14'. Voltooid: 22/05/2019.

Werkbespreking:

De schetsen van dit werk dateren van 20/21 maart (deel 1), 8/9/10 april (deel 2) , 1 april (deel III), 25 april (deel IV) en 6/7 mei (deel V). Daarna waren twee weken nodig om deze ontwerpen uit te werken naar de compositie zoals die nu is. De delen duren ieder minimaal twee en maximaal drie minuten.

I
Het eerste deel bestaat uit twee bewegingen.
De eerste is een groep van snelle dalende bewegingen. Iedere groep wordt zodanig verkort dat tot slot slechts een akkoord overblijft (van negen bewegingen naar twee).
De tweede groep, die hier op volgt, is een ritme op akkoorden uitgaand van het slotakkoord van de voorafgaande beweging.
Wat volgt is opnieuw beweging een, zij het dat de groepen snelle noten stijgen en van kort naar lang wordt vergroot (van twee bewegingen naar negen).
Dan volgt een korte driestemmige kanon over het ritme in akkoordvorm van beweging twee. Vervolgens wordt beweging een hernomen in canon: de ene stem stijgt (van negen bewegingen naar twee) en de imiterende stem daalt (ook van negen bewegingen naar twee).
Dan lijkt beweging twee terug te komen, maar die verzandt in een verlangzaming waarmee dit deel sluit.

II
Deel twee is een combinatie van een thema met variaties en een ABA’ structuur. Het thema gebouwd op een voortdurende combinatie van een tweetonig gegeven, afwisselend gebracht in de strijkers en de houtblazers (met enige koper).
Variatie een gaat in dezelfde gestiek verder zij het dat het koper sterker deelneemt aan de beweging.
In variatie twee worden de groepen van twee verder uit elkaar geplaatst. Tegelijk klinkt een melodische beweging in het hoge register ( houtblazers) en vervolgens in het lage register (violoncello/contrabas en trombone).
Nu volgt een tussengedeelte in een iets rustiger tempo, goed herkenbaar aan de overheersende beweging in drieën in een secundaire laag. De melodische hoofdstem beweegt overwegend in een driedelig ritme in de vierdelige maat (hout afwisselend met hoge strijkers).
Het snelle tempo wordt hernomen met variatie vier die op haar beurt een variant is van variatie twee: nu met een melodische beweging eerst in het lage register (violoncello) en daarna hoog (hobo/klarinet).
Variatie vijf is een variant van variatie twee, de stemmen wisselen van plaats: laag wordt hoog en omgekeerd.
Dan volgt variatie zes als variant van het thema zelf met eveneens een verplaatsing in register van de deelnemende stemmen.
Een korte coda (vertraging van het tweedelig gegeven) sluit dit deel.

III
Deel drie is gebaseerd op een vierstemmige koraalachtige zetting (beweging in sopraan-, alt- tenor- en bas-ligging). Deze klinkt eerst in het koper en wordt daarna in de strijkers herhaald met bescheiden tegenstemmen in het hout.
Dan worden de sopraan en altstem in het lage register herhaald met tegenstemmen in een blaaskwintet (fluit, hobo, klarinet, fagot en een hoorn).
Vervolgens worden tenor en basstem in het hoge register geplaatst met tegenstemmen in het lagere register (trombone/hoorn/tuba).
Een aanzet van de koraal (de eerste vijf maten in vertraging) sluit het deel.

IV
Deel vier is gebaseerd op twee bewegingen.
De eerste is ritmisch en duurt drie maten, gevolgd door dezelfde beweging van achter naar voren vergezeld van een ‘storende’ beweging in de trombone. Nu volgt een ontwikkeling van het ritmische gegeven: het wordt steeds korter en tegelijk wordt een melodische beweging steeds belangrijker, die is gebaseerd op de ‘storende’ gestiek van de trombone,.
Het tweede gegeven is melodisch van opbouw en bestaat ook uit drie maten. Het wordt ontwikkeld door de melodische bewegingen steeds langer te maken.
Nu volgt opnieuw de eerste beweging zij het dat het begint met een ontwikkeling die start bij het eindpunt van het eerste gedeelte. De ‘storende’ gestiek leidt, samen met een steeds langer wordend optreden van het gegeven, naar dit gegeven zelf.Het tweede gegeven wordt nu herhaald zij het dat het tweede gedeelte ervan als eerste en het eerste gedeelte ervan als tweede klinkt.

V
Uitganspunt van deel vijf is het ritme van een kinderlied. De verschillende ritmen van de zinsgedeelten worden vierstemmig geïmiteerd (stem 1,2,3,4).
Het deel begint met een korte inleiding. Dan volgt het ritme van de stemmen 3 en 4 (imiterend) in de hoge strijkers met een klankveld in het hout.
Dan volgen stemmen 1 en 2 in de lage strijkers (imiterend) met opnieuw een klankveld in het hout.
Tenslotte volgen de stemmen 1,2,3,4 in het koper (trompet, hoorn, trombone en tuba) in hun oorspronkelijke ligging en met vierstemmige imitatie van het ritme van de zinnen van het kinderlied.
Een korte referentie aan de inleiding sluit het deel.